Op 3 december jl. trakteerden Jouke en Alphons ons op een beetje nostalgie en kennis over kerstmis aan de hand van beelden, teksten en zang.

 

Nostalgie en meer over Kerstmis en Advent

3 december 2017

Tekst van Jouke

De kerstboom die niet brandde

Toen ik nog een kind was, klein en kleingehouden, hadden wij thuis geen kerstboom. Het scheen niet te mogen. Het mocht niet van de Here Jezus, ook niet van iemand uit de familie. We gingen alleen op Eerste Kerstdag naar de kerk. Dat was alles. In de kerk stond geen kerstboom. Daar was helemaal niets van Kerstmis te bekennen, nog geen takje groen. Zo wilde de HERE God het. Wij deden precies wat de HERE G.d wilde.

Onze overburen hadden – tot onze schrik - wel een kerstboom. Ze hadden hun kerstboom zelfs al opgetuigd lang voordat het kerst was. Hoe kon dat nou?  

Ik zal het u vertellen, dan begrijp tu het ook. De buren wisten niet dat de/een kerstboom  een heidens symbool was.  Wij wisten dat g.ddank wel. Wij wísten dat al, ons hele leven. Al voordat wij geboren waren, wisten wij zulke dingen. Wij hadden er ook veel moeilijke stukken over gelezen.

En toen?

Toen werd ons gezin door die aardige overbuurvrouw uitgenodigd naar haar kerstboom in haar huis te komen kijken. Het was raar, maar ook een eer. Wij zouden iets mooi gaan vinden wat eigenlijk niet mocht.

Keurig aangekleed verlieten we, vier kinderen en hunne moeder, de eenvoudige etagewoning. We staken de straat over, belden aan en ons werd opengedaan. Over een dikke traploper liepen we naar boven en kwamen uit in een hal. Alle deuren rond het halletje waren gesloten. Er was nog geen kerstboom te zien. De mevrouw vroeg ons eerst even in de keuken te komen. We kregen iets te drinken, de limonade stond klaar. Dat was zeker omdat we zo’n lange (!) wandeling hadden gemaakt. Ik begreep het niet: we kwamen toch niet voor de limonade? We kwamen toch voor de kerstboom?

Terug in het halletje werden we voor de deur van de kamer waarin de kerstboom moest staan, opgesteld. De buurvrouw opende de deur  daarvan en ik wilde direct naar binnen stappen. Neen, neen, dat was de bedoeling niet. Neen, neen, neen, we mochten de kamer niet in. Het was nog geen kerstmis! Wij kwamen alleen om….  te komen kijken.

We zagen aan het eind van de grote kamer de boom. De prachtige, en wat een grote boom! Met veel glinsterwerk, slingers en kaarsjes in houdertjes, klaar voor de het moment suprême. ‘Hoe vinden jullie de boom?’, vroeg de vriendelijke mevrouw. Wij gaven het sociaal-gewenste antwoord: ‘prachtig’. De mevrouw deed de kamerdeur weer dicht. Dit was het dus. Daarvoor hadden we ons zo netjes aangekleed.

Mijn moeder bedankte nu de aardige overbuurvrouw voor haar gastvrijheid. Wat een hartelijkheid had zij getoond. Zij zei ons ook gedag en wenste ons op de allervriendelijkste wijze “zalige” kerstdagen. Waarop mijn moeder, goed gereformeerd, haar en haar man en kinderen ‘gezegende kerstdagen’ wenste. Wat klonk dat anders.

We gingen de trap naar benden weer af, verlieten het huis en staken de straat  weer over. Daar was totaal niets van kerstmis te bespeuren. Eenmaal binnen begonnen wij natuurlijk met vragen. ‘Waarom hebben wij geen kerstboom?’  Mijn moeder zei, dat ik nu eens moest ophouden met zeuren: ik wist heus wel waarom wij geen kerstboom hadden, wij waren christelijk en zij aan de overkant waren rooms.

“Roomse” mensen maakten van het kerstfeest een feest dat alles overtrof. Ook in hun kerk was het een feest van overdaad. Om op de arme Jezus, op zijn lieve moeder Maria en behulpzame vader Jozef te wijzen haalde men alles uit de kast. Wij protestanten deden daar juist niet aan. Wij wisten het veel beter, wij hadden namelijk het ware geloof.

Als je toen en nu nog in zo’n roomse, katholieke kerk zo’n kerst-mis bijwoonde, dan werd er behalve door het koor ook door het volk gezongen. De liederen zijn/waren van grote eenvoud zoals Hoe leit dit kindeke hier in de kou of Stille Nacht. Alle rijkdommen van de kerk werden tevoorschijn gehaald om op het arme kind te wijzen.
Rijkdom en armoede, dat is een van de grote thema’s van kerst.

 

 

Tekst van Alphons

Verwelkoming

 

Het is vandaag de 1e adventszondag. Op de plantages zijn de kerstbomen allang omgezaagd en naar de verkopers op de markten getransporteerd.

De kerstboom hoort bij kerstmis, vinden we. Toch is dit niet altijd, overal en in alle christelijke tradities het geval geweest. De kerstboom komt vooral voor in Noordwest Europa  en in gemeenschappen die sterk door de noordwest-europese cultuur beïnvloed zijn. In de tropen zijn de planten altijd al groen en is de kerstboom overbodig. In de woestijn groeit nauwelijks iets en in poolgebieden houdt alleen een kerstboom van kunststof het uit. De kerstboom hoort biologisch en cultureel tot de gematigde klimaatzones van onze aarde.

De kerstboom en de kerststal zijn niet ontkomen aan de nietsontziende commercialisering van onze tijd; wie, welk gezin, welke gemeente, welke kerk of welk warenhuis heeft de mooiste of de grootste boom of de meest kunstzinnige of opgedirkte stal?

We kunnen terecht kritisch zijn ten opzichte van deze commercialisering!

 

Blijft er nog iets over van de bedoeling van Advent, van de hoop op en het verwachten van de komst van…? Ja… verwachten van… wat, wie? Wat is er in onze tijd van dreigingen en milieurampen, maar ook van digitale technologisering en robotica nog op komst? Wat staat ons te wachten? Hebben wij nog hoop, nog een droom, hoe bescheiden ook? Voor veel mensen is optimisme immers uit de tijd. Er zijn genoeg realistische doemscenario’s !

 

Jouke en ik doen vandaag niet aan futurologie. We willen wel iets laten zien van de binnenkant van de advents- en kerstbeleving, aan de hand van persoonlijke ervaringen, van symbolen en rituelen en van oude gewoontes en gebruiken. Die komen ons, verstandige vrijzinnigen als we menen te zijn, vaak wat achterhaald, simpel en misschien zelfs infantiel over. Maar ...die misschien ook rijk blijken te zijn als je je een beetje inleeft in de gevoelswaarde en het vormende karakter ervan. Advent als innerlijk proces van hoop en verwachting. Hoe groot de kerstboom dan wordt, is totaal onbelangrijk!

 

Kerstmis in het katholieke milieu

 

In het stevige katholieke huisgezin van mijn ouders van de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw was de kerstboom iets heidens. Hij kwam uiteindelijk wel het huis in, maar stond in een hoekje van de huiskamer. De kerststal kreeg als een groot emplacement een ruime plaats in de salon. Dáár was het middelpunt van de kerstviering, daar stond ook de piano waar we ons in  het grote gezin omheen schaarden voor de kerstliedjes met moeder aan de piano.

Ik heb daar veel warmte van over gehouden. En nog steeds, heel diep verborgen onder dikke lagen van volwassenheid, een beetje heimwee. Bent u soms ook nog wel eens dat kleine jongetje of meisje dat verwonderd de wereld inkijkt? Ik hoop het.

 

Na Sinterklaas kwam de Advent. De dagen werden nog donkerder, maar er lag een nieuw feest in het nabije verschiet. Na Sinterklaas deden we niet aan kerstcadeaus, die waren immers ook heidens. Toen een bevriende Duitse dominee mee eens vertelde dat bij hun het kerstkind, ‘das Christkindl’, geschenken onder de kerstboom legde, reageerde ik met onbegrip.

Wel organiseerde mijn moeder met andere katholieke dames kort na de oorlog voedselpaketten voor arme mensen. Ik mocht meehelpen ze rond te brengen, heerlijk geheimzinnig in het donkere dorp.

 

Twee lijnen van vieren.

 

Voor een gelovig katholiek bestonden er lang geleden twee lijnen in het vieren van de verwachting en de hoop op het nieuwe licht:

– de boventoon voerde de gregoriaanse liturgie van de vier adventszondagen, met de profetische en poëtische teksten van de profeet Jesaia over de hoop op gerechtigheid, gezongen in het mysterieuze Latijn.

 - De ondertoon lag in het beeldende spel met de kribbe als emotionele, lichamelijke onderstroom. En een adventskalender met stichtelijke plaatjes en, zoals een kind zegt, “met zonder snoep”. Met de toenemende commercie werd dat natuurlijk wel snoep in ieder vakje.

 

De liturgische bovenstroom.

 

In die liturgische en theologische bovenstroom speelden weer twee thema’s door elkaar: de verwachting van de naderende Eindtijd waarin Christus als de Vorst van het Heelal op de troon zou zitten. De liturgie zingt psalmen waarin God wordt uitgenodigd als heerser zijn spierballen te tonen aan alle volken. De gelovigen zouden zijn als de stammen van Israël die optrekken naar Jeruzalem, de Stad van Vrede. Een soort pelgrimage dus, beweging naar een hoogtepunt, uitgespannen over vier weken die de vierduizend jaar symboliseren die de mensheid in de visie van het Oude Testament sinds de schepping heeft geleefd in de verwachting van de Komst van Christus. Liturgie is spel, is theater.

 

Terwijl in de natuur de duisternis dieper en de nacht langer wordt, worden in de liturgie de teksten en gezangen juist steeds blijer en lichter. De katholieke liturgie van de advent kent alleluia’s (evt. Alleluia  met Laetatus sum...zingen: “Wat was ik blij toen me mij zeide, wij gaan naar ‘s Heren huis”). Op naar het hemelse Jeruzalem… heerlijk.

Maar het besef van de eindtijd, waarin God zich als machtig en Christus zich glorieus als Rechter openbaart, dat besef schrompelde in de loop der eeuwen als het ware in totdat er de fascinatie voor het verwachten van een kind overblijft, God wordt een kind: God is niet zomaar de Almachtige maar wordt geboren in een mens, dompelt zich in de tijd.

De verwachting van haar kind laat de hoogzwangere Maria, op bezoek bij haar nicht Elisabeth, uitbarsten in een luid Magnificat. Dat thema heeft vele componisten geïnspireerd.

Waar de zwangere Maria op weg naar Elisabeth langskomt gaan dorre doornstruiken  bloeien( zingen: “Maria durch ein Dornwald ging...”).

 

De onderstroom.

 

Nu zijn we eigenlijk al bezig met de onderstroom, met voorstellingen en verbeelding, emoties en symboliek. Nu wordt het pas echt een plastisch volkstheater. We gaan met Jozef en Maria op weg door een verlaten, koud en wild landschap naar een warme stal.

 

Maria is op schilderijen altijd gekleed in dekleur blauw, een reine, hemelse kleur die diepgang uitstraalt. Ze is altijd jong en heeft een open gezicht. Jozef loopt altijd in een bruine mantel, onopvallend. Bruin kan best een beetje vuil worden, bruin is aards. Van de zorgen is hij al vroeg oud geworden. Jozef en Maria moeten samen ook nog eens op weg naar Bethlehem. Weer dus beweging, trektocht, pelgrimage.

 

Met zulke thema’s kun je iets in de schilderkunst. Franciscus van Assisi is er rond 1200 mee begonnen. Geloofsverhalen verbeelden. Het gaat om beleving en dan is het wat ingehouden en verstild klinkende gregoriaans niet voldoende, het is Latijns, niet volks genoeg. Ossen en ezels, herders in dikke mantels met lammeren en schapen, fluiten, trompetten en schalmeien. Oosterse magiërs of sterrenwichelaars worden koningen op kamelen, paarden en zelfs olifanten, omringd door een hele schare van rijk geklede dienaren. Goud, wierook en mirre barsten uit de meegenomen kruiken. De simpele stal wordt soms een ruïne van een luxe paleis. Het kan er nogal barok aan toe gaan. Herders en koningen komen te staan in houdingen, waarin een gemiddeld mens het niet lang vol houdt (schrik, eerbied, deemoed, overgave -lichaamshoudingen uitbeelden !).

 

Je kunt dat alles kunsthistorisch bekijken en oog krijgen voor de innige en intense schilderkunst van Fra Angelico of Giotto. Maar je kunt het ook leren zien als middel voor een innerlijk proces van verwachten en om in jezelf een bepaalde stemming op te roepen. Het is een soort psychotechniek of meditatietechniek; door uiterlijke uitbeelding binnenin beleving oproepen.

Zo zijn er in zeer katholieke streken groepjes mannen en vrouwen, die in de adventsweken samen in hun kerk de stal opbouwen, zoals dat elders gedaan wordt met praalwagens voor carnaval of voor een bloemencorso.

 

 

Ooit was ik in de Nieuwe Kerk in Amsterdam voort een expositie over de Middeleeuwen. Daar stonden ook kinderbedjes en baby’s als speelgoed voor kinderen, verkleedpoppen. Leuk kinderspeelgoed, dacht ik. Maar ik had het mis. Het ging om plastische middelen waarmee jonge nonnen hun devotie voor de kleine Christus als baby en opgroeiend kind konden uitdrukken en hun gevoelens van zacht en teder handelen als een vorm van meditatie op een hoger, subliemer, niveau konden brengen.

Wie wel eens aan houtsnijden of boetseren van een beeld heeft gedaan, weet dat je dan in je handen en je hele lijf de kromming van een arm, de deemoed van een gebogen rug of de fierheid van een troste houding  moet voelen om die over te dragen op het materiaal. Anders wordt het een stijf en doods beeld.

 

Kerstspel/Mysteriespel.

 

Zoiets kan ook een rol spelen in de verbeelding van kerstmis. In de week voor kerstmis werd op de Vrije School van mijn kinderen in Duitsland een kerstspel opgevoerd, dat zijn oorsprong vond in de mysteriespelen uit de Middeleeuwen.

Jozef en Maria op weg, hij zorgend en zwoegend, zij aan het einde van haar krachten. Herders, doezelend rond hun kampvuur, engelen die alvast het zingen van het Gloria oefenen; engelen mogen immers nooit vals zingen! Een barse herbergier. Een lege stal met ergens een stoffige voederbak en oud hooi. Personen en rekwisieten uit het theater om de verbeelding te laten werken en verheven gevoelens en gedachten op te wekken.

 

In de weken voor kerstmis kon je als katholiek kind je eigen stal bouwen en beelden maken, figuurzagen, of uitknippen uit een bouwplaat en opplakken. Ik heb er heel wat geknutseld. Ook ging ik ging bij ons op de hei altijd mos halen en boomschors. Met blokken of stenen onder het mos kon je kleine heuvels maken; een trektocht of pelgrimage gaat immers over berg en dal, met vallen en opstaan.

Ging je het geheel opbouwen dan kwamen ver van de plaats van de nog lege stal de herders en de schapen. Het Kind in de kribbe kwam als laatste. De drie koningen waren nog niet eens in zicht, die kwamen eigenlijk pas op 6 januari, ze kwamen immers helemaal uit het Oosten.

 

Per week kwamen de beelden van de herders dichter bij de nog steeds lege stal, alsof zij – en jij dus ook - iets bijzonders verwachtten, maar nog niets wisten wat. En zo tegen het grote feest kon je de drie koningen ergens in het halfduister zien aankomen, maar ze hadden nog een lange weg te gaan en wisten nog niet eens precies waarheen.

De kribbe was nog steeds leeg!

 

In het mysteriespel op de Vrije School werd uitvoerig aandacht besteed aan de vergeefse poging van Jozef om een plaats in een herberg te vinden. Wat een hardvochtige kerel was de waard van de herberg!

In de kerstnacht kon de kribbe worden geplaatst en het kind erin gelegd. Maria was wonderbaarlijk snel weer op krachten gekomen en zat er vol zorgende aanbidding bij. De os en de ezel snoven hun warme adem over het blote kind. Wij kinderen plaatsten Jozef graag ook bij Maria en het kind, vol devotie. In een warm gezin voelt een kind zich immers bij de ouders geborgen. Maar op veel schilderijen staat Jozef ergens op de achtergrond in de schemering. Hij doet er niet zoveel toe.

Het kind was niet in doeken gewikkeld, hoewel het Evangelieverhaal dat wel beschrijft. Op bijna alle devote afbeeldingen is het pasgeboren kind bloot, op enkele quasi nonchalant gedrapeerde doekjes na. De rimpels die elke pasgeboren baby vertoont zijn wonderbaarlijk snel weggetrokken – een gerimpeld goddelijk kind kan natuurlijk niet – en de baby kijkt meestal uiterst pienter uit zijn ogen.

 

Midden in de nacht gingen mijn ouders met de oudere kinderen naar de Nachtmis, om 4 uur ‘s nachts. Een enorm liturgisch theater ontvouwde zich dan, een hele choreografie van priesters en misdienaars. Om de Blijde Boodschap van het verschijnen van God in een nietig kind te verkondigen, verscheen de pastoor in overdadig goudbrokaat op de preekstoel en zei: “Ik verkondig u een Blijde Boodschap, Heden is de Verlosser geboren.” Ik dacht dan wel eens dat de hemel over ons zou worden uitgestort of dat er iets enorms naar beneden zou donderen, maar dat gebeurde toch niet.

Tijdens de lange nachtdienst van ongeveer 2.1/2 uur lengte kon het wel gebeuren dat de lucht in de overvolle kerk slecht werd en er mensen flauw vielen. Wat een heerlijke opwinding, mocht je even je hals rekken en stiekem rondkijken!

 

Na de lange mis met vele populaire kerstliedjes gingen we naar huis. Er stond dan een feestelijke ontbijttafel klaar. Maar eerst werden in de verduisterde salon de kaarsen bij de kerststal aangestoken. En er werd weer gezongen, zoals ik in het begin al vertelde, geschaard rond de piano waarop mijn moeder speelde, terwijl vader met zijn goede bariton ons tot meezingen animeerde.

Even was er de ‘heile Welt’ van het warme gezin. Ach ja… !?

Maar als snel sloegen puberteit en adolescentie toe. De warmte werd tijdelijk weggestopt in diepere lagen van de herinnering maar bleef daar toch smeulen.

Ik ben diep in me nog steeds dat kleine jongetje en heb nog steeds een beetje Heimwee naar de toekomst. Dat heeft volgens mij met Advent te maken.

 

 

Ik sluit af met een Rorate Coeli, Dauwt hemelen van boven en wolken regen gerechtigheid. Met twee recitaties ertussen: 1. Ne irascaris domine… en

2. Consolamini….

In 1 laat de profeet Jesaja de mensen aan God vragen niet te toornen en niet meer aan de ongerechtigheid van de mensen te denken. Ze wijzen hem er fijntjes op dat ze hem altijd hebben vereerd in Jeruzalem, zijn heilige stad die er nu maar desolaat en duister bij ligt. Dat kan toch niet zijn bedoeling zijn geweest.

In 2 laat Jesaja God zelf tot zijn volk zeggen: Troost u, mijn volk, troost u. Ik kom er spoedig aan, blijf niet in droefheid vastzitten. Het thema dus van Advent: Heimwee naar de toekomst