Een andere kijk op God

In streng orthodoxe kringen is het nog steeds de gewoonte dat hele gezinnen ’s zondags ter kerke gaan. Elders ziet men weinig jongeren in de kerk. Een van de factoren die hierbij een rol spelen is het feit dat inhoud en vorm van de diensten jongeren niet (meer) aanspreken. Hun denkkaders zijn anders. Zij hebben vaak meer kennis van natuurwetenschappelijke ontwikkelingen. Waar men in het verleden nog algemeen ervan uitging dat eens, in het begin, God alles geschapen heeft, staat dat niet meer vast. Thans wordt namelijk door sommige kosmologen betoogd dat er een wetenschappelijk alternatief bestaat voor de opvatting dat God nodig is geweest voor het ontstaan van de kosmos.

Stephen Hawking, de hoogleraar die de leerstoel van Newton bezet, heeft hieraan een boek gewijd. Ik ken dat boek niet, maar wel de dvd getiteld Did God create the universe? Ik noem een paar punten uit het betoog van Hawking.

In de Middeleeuwen begon men besef te krijgen van natuurwetten. De kerk beweerde nu dat God die wetten had geschapen. Dus kon God die wetten ook even opheffen om een wonder te laten gebeuren. Die gedachte is nu wel overwonnen. Hawking is opgegroeid na WO-2 en leerde: je krijgt niets voor niets. Maar hij stelt nu vast: het universum krijg je wel voor niets. Wat heb je nodig om een universum te laten ontstaan? Drie dingen t.w. massa, energie en ruimte. Einstein leerde dat massa en energie uitwisselbaar zijn. Dus je hebt nog maar twee zaken nodig: massa/energie en ruimte. Nu komt Hawking bij het niets. Hij geeft een mooi voorbeeld. Stel dat je in een vlak gebied een berg wilt oprichten. Je gaat dan een diep gat graven en alle uitgegraven grond stapel je op. Tegenover die berg staat dan een gat van gelijke omvang. Op deze manier staan positieve en negatieve energie tegenover elkaar. Samen opgeteld vormen zij 0.

Op subatomair niveau tref je heel kleine deeltjes aan. Men heeft een deeltje dat uit het niets verschijnt en dan weer verdwijnt. Uit het niets kan dus iets voortkomen. Ik zou niets dan willen weergeven als ‘niets’.

Een andere kosmoloog Lawrence Krauss behandelt deze zelfde problematiek in zijn boek Universum uit het niets. Hij beantwoordt daarin de vraag: waarom is er iets? Maar hij zegt dat die vraag ‘waarom’ hier eigenlijk naar het ‘hoe’ van het ontstaan verwijst.

Voor gelovigen kan deze visie van genoemde kosmologen schokkend zijn. Als God zelfs niet nodig is als eerste oorzaak, wat blijft dan nog over van religie?

Maar als de kosmologie het antwoord op het ‘hoe’ van het ontstaan van het universum kan geven, blijft de vraag ‘waarom’ nog bestaan. Deze vertolkt de verwondering over het feit dat alles zo is ontstaan en zich verder heeft ontwikkeld en dat er leven is ontstaan en een bewustzijn dat dit alles weet te onderzoeken. Religie vormt de veelvormige uitdrukking van de menselijke verwondering over dit alles. Religie verwijst op allerlei manieren naar het Zijnsmysterie dat blijft als weten we hoe alles kan zijn ontstaan. Religie is nauw verwant aan kunst. Beide verschijnselen komen voort uit de diepste ervaringen en emoties die wij opdoen in ons contact met al wat wij werkelijkheid noemen. Via kunst en religie worden wij verwezen naar dat wat ons tot verwondering en soms verbijstering brengt. Kunst en religie doen ons daarbij stilstaan. Zij gebruiken vaak pakkende beelden en symbolen. Deze maken een beleving mogelijk van dat wat wij niet adequaat kunnen beschrijven.

Religie heeft dus wel degelijk zin en betekenis. Maar net als kunst biedt zij geen wetenschap. Daarom wordt zij ook niet bedreigd door wetenschap. Bedreigd wordt slechts religie, opgevat als een vorm van wetenschappelijke kennis.

Een nieuwe oriëntatie kan tot het bevrijdende inzicht voeren dat religie als menselijke uitingsvorm van waarde blijft en dat wetenschap ons helpt tot een beter begrip te komen van de kosmos en het leven. De totale werkelijkheid blijft een wonderlijk gegeven.

Actueel lijkt weer de visie daarop van Spinoza die haar aanduidde als Deus sive Natura – God oftewel de Natuur. God dus opgevat als het universum.