Mythe en waarheid

Het is de vraag of in het moderne onderwijs aandacht wordt geschonken aan de mythologie van de Grieken en Romeinen. Als dat niet meer gebeurt is dat jammer, want naast de Bijbel heeft de mythologie van de oude volken, de Grieken, Romeinen en in mindere mate de Germanen, grote invloed gehad op de ontwikkeling van onze cultuur. Je ziet dat wanneer je aandacht schenkt aan literatuur, beeldende kunsten, architectuur en muziek. Maar al in de oudheid waren er denkers en schrijvers die kritiek hadden op de mythologische verhalen over allerlei goden, die te veel blijk gaven van menselijke ondeugden. In onze gekerstende wereld werden mythen op den duur beschouwd als producten van de menselijke fantasie, zonder enige betekenis.

Maar wie de mythen nauwkeuriger onderzoekt ziet dat er verschillende typen mythen bestaan. Sommige geven een ‘verklaring’ waarom b.v. ergens een bepaalde berg, met een bijzondere vorm, ligt. Dat soort verhalen heeft verder niets met waarheid van doen. Maar er zijn ook mythen met een diepe inhoud. Dat zijn b.v. mythen die handelen over de onherroepelijke sterfelijkheid van de mens. Zo vertellen sommige verhalen over de poging iemand terug te laten keren uit de onderwereld. Iemand zou, zo vertelt de betreffende mythe, zijn geliefde terug kunnen brengen uit het dodenrijk maar zou bij die onderneming niet om mogen kijken. Dat zou fataal zijn. En natuurlijk gebeurt dat met noodlottig gevolg. Mensen kunnen hun sterfelijkheid niet ontlopen. Maar de natuur wel. Zij sterft elk jaar in het najaar om in de lente uit de dood op te staan. Ook dat is in boeiende mythen weergegeven. Mythen als die over de sterfelijkheid van de mens en de onsterfelijkheid of beter de jaarlijkse opstanding uit de dood van de natuur bevatten die waarheid, in beeldende taal verhaald.

Het is kennelijk aantrekkelijk op religieus terrein allereerst te letten op overeenkomsten. Zo heeft men soms in de opstanding van Jezus overeenkomsten gezien met die van jaarlijks stervende en uit de dood herrijzende mythologische gestalten. Die laatsten hebben echter met de natuur te maken. Jezus is volgens het N.T.  één maal gestorven en één maal uit de dood opgestaan. En Jezus heeft niets met de natuur te maken. De auteurs van de boeken van het N.T. dachten anders dan wij. Zij leefden met een mythisch wereldbeeld en schreven over Jezus daarom anders dan wij nu zouden doen. Hun schrijfwijze was echter veel beeldender, de onze is daarbij vergeleken prozaïsch. Kenmerkend voor Jezus was zijn visie op de thora, de wet. Hij wilde niets daarvan schrappen. Maar voor hem was de wet er voor de mens, niet omgekeerd. Hij stelde de mens dus op de voorgrond. Maar bovenal ging hij uit van de liefde tot God die hij Vader noemde. Zijn opvatting over God is echter niet meer die van veel moderne mensen. Voor een deel van hen is God niet langer Iets of Iemand, die tegenover zijn schepping en schepselen staat, maar is er sprake van één werkelijkheid waaraan iedereen en alles deel heeft. Die ene werkelijkheid is enerzijds waarneembaar, anderzijds ondoorgrondelijk. Als zodanig vormt zij het Mysterie van al wat bestaat. Dat besef, dat inzicht noemt Spinoza de amor intellectualis dei. Moderne mensen zullen zich beter kunnen vinden in de opvatting over God van Spinoza dan in die van Jezus. Men zal vaak voorstellingen en opvattingen uit de Bijbel moeten vertalen in moderne, in deze tijd passende taal.