Pinksteren, het feest van enthousiasme

Voor veel mensen is Pinksteren maar een merkwaardig feest. Het verhaal over die leerlingen van Jezus die zich angstig hadden teruggetrokken uit de samenleving en dan opeens door de Geest van God worden bezield, doet ons vreemd aan. Dat komt in de eerste plaats omdat wij het Nieuwe Testament niet lezen als typische moderne westerlingen. Dat houdt in dat wij die oude teksten lezen als waren het exacte verslagen van wat er zich eens heeft afgespeeld. Maar dat is iets wat deze verhalen nu net niet zijn. Voor ons rijst dan de vraag: zijn die verhalen dus louter fictief? En dan luidt het antwoord: nee. In feite vindt men deze teksten historisch materiaal, maar vermengd met een bepaalde interpretatie. Feit is dat de aanhangers van Jezus op een bepaald moment met een boodschap naar buiten zijn getreden. Die boodschap luidde dat de ‘olam habbah’, de komende wereld of het Rijk Gods spoedig realiteit zou worden. En men verwachtte dat Jezus als Messias op aarde zou terugkeren. Deze boodschap was maar voor een deel afwijkend van wat velen in het toenmalige Palestina verwachtten. In een tijd van grote spanning en onderdrukking zijn dat soort verwachtingen niet zo uitzonderlijk. Wij hoeven maar te denken aan Dolle Dinsdag in de oorlogstijd. Voor de Joden uit de oudheid was de periode van de Hellenistische overheersing na Alexander de Grote, na 323 voor onze jaartelling, en de daarop volgende periode van Romeinse onderdrukking een zware tijd. Moeilijk was het de eigen religie en cultuur te bewaren. Immers, voor een bovenlaag van de Joodse bevolking was de laat-Griekse, de Hellenistische cultuur aantrekkelijk. Daardoor dreigde men te vervreemden van de Joodse cultuur en adat. Bij de Joden in Alexandrië in Egypte ging het zo ver dat zij hun heilige boeken niet eens meer in het Hebreeuws konden lezen. Voor hen werd daarom een vertaling gemaakt. Deze staat bekend als de Septuaginta en het is uit de Septuaginta dat de in het Grieks schrijvende auteurs van ons Nieuwe Testament citeerden. In Palestina leidde zoals gezegd, de onderdrukking door de Romeinen tot de hoopvolle verwachting dat het Rijk Gods heel spoedig zou komen. Het bijzondere van de christelijke boodschap was dat werd gezegd dat Jezus, die als een oproerling door de Romeinen was gekruisigd, uit de dood was opgestaan, dat hij vervolgens naar de hemel, naar God was opgevaren, en dat hij terug zou keren naar de aarde om het Godsrijk te helpen realiseren.
Het is voor ons heel moeilijk de opstanding van Jezus en diens hemelvaart als historische feiten te beschouwen. Men kan dit alles hoogstens op een symbolische manier duiden. En datzelfde geldt natuurlijk tot betrekking tot het pinksterverhaal uit het boek der Handelingen. Hoe kon men tot zo’n merkwaardig verhaal komen?
We moeten ons realiseren dat het Griekse woord pneuma, adem, wind en geest kan betekenen. Daarom kan men het verhaal laten beginnen met het opsteken van een geweldige windvlaag. Hiermee wordt de komst van de Geest Gods als het ware aangekondigd. Dan echter komt er een nieuw symbool bij: dat van vuur, van vlammen, die zich op de hoofden van de leerlingen neerzetten. Het vuur is ook het symbool van de heilige Geest, hier verbonden met tongen, zeg talen. Nu wordt het verhaal van Handelingen 2 tot het tegendeel van het oudtestamentische verhaal over de torenbouw van Babel. Daarin wordt verteld dat de mensen een toren bouwden die tot in de hemel zou reiken. God vreest nu dat de mensen oppermachtig gaan worden en grijpt in. Hij bracht een verwarring in de talen tot stand zodat de mensen elkaar niet meer konden verstaan. Terwijl Babel in feite Poort tot God betekent, spot de Joodse verteller met de machtige naam en maakt er een woordspel, nl. met het Hebreeuwse ‘balal’ = verwarren, zo iets als warboel van. Handelingen 2 vertelt nu dat de geest van God juist maakt dat men elkaar verstaat, hoe verschillend de talen ook zijn die men spreekt.
En weer blijkt het verhaal een ingewikkeld geheel te zijn, want aan de ene kant zou men elkaar heel goed hebben verstaan, terwijl critici opmerkten dat de leerlingen van Jezus dronkemanspraat lieten horen. Hierop gaat Petrus dan in met een redelijk betoog. Nu moet men goed bedenken dat de schrijvers van het N.T. steeds hun geloof verkondigden en te pas en te onpas teksten uit het O.T. gebruikten om te laten zien dat wat daarin voorzegd is, is uitgekomen in het leven en werken van Jezus, die dus de beloofde Messias was. Zo maakt Handelingen gebruik van een voorzegging van een profeet Joël, dat aan het einde der tijden God zijn geest over allen zou uitstorten. Hiermee trad dus iets geheel nieuws op. Waar men in het verleden zich op de aan Mozes geopenbaarde Thora richtte, ontving nu een ieder de geest Gods. Dit verhaal uit Handelingen maakt hiermee duidelijk dat de komende nieuwe bedeling heel snel werkelijkheid zal worden. Ik vertel u dit alles omdat zo’n oud religieus verhaal op zich heel interessant is, maar tegelijk duidelijk maakt dat daarin sprake is van een heel andere manier van denken, waardoor het voor een modern mens gewoon niet goed meer te volgen is. Meestal wordt er bovendien niet op gewezen dat er nog een soort alternatief verhaal in het Nieuwe Testament is te vinden, waarin Jezus zelf zijn geest overdraagt op zijn leerlingen door op hen te blazen. U vindt dit medegedeeld in het evangelie van Johannes 20, 19vvg. Dit gebeurt wanneer Jezus na zijn opstanding verschijnt aan zijn leerlingen die zich uit angst in een huis hadden verscholen. Het is duidelijk dat het heel moeilijk is vast te stellen wat er nu werkelijk is gebeurd. Mogelijk is het zo dat de leerlingen zich een tijd lang verborgen hielden omdat de openbare mening of ook de Romeinse bezetter zich tegen hen zouden kunnen keren. Mogelijk is ook dat men een tijd nodig had om het gebeurde, de smadelijke kruisdood van hun meester, op een positieve manier te leren duiden. Wellicht is men toen tot de overtuiging gekomen dat Jezus weliswaar was gestorven, maar op de een of andere manier weer levend werd. Zeker is in ieder geval dat men op een bepaald ogenblik met een positieve boodschap naar buiten trad. En dat moet met volle overtuiging zijn gebeurd. De leerlingen waren enthousiast , dat is letterlijk ‘van God vervuld’.

Als wij dit horen of lezen ervaren wij de grote afstand tussen die vroege Christenen en ons. Dat maakt het moeilijk om die oude verhalen te verstaan, en helemaal om de actuele betekenis daarvan in te zien.

Laten wij eerst terugkeren naar onze eigen situatie. Eeuwen lang waren wij in het Westen doordrongen van de waarde en waarheid van het christelijk geloof. Generatie na generatie heeft bij dat geloof geleefd en is gestorven met de hoop via dat geloof deel te krijgen aan een eeuwig heil. En voor heel wat mensen in onze wereld gaat dit alles nog zo op. Maar heel veel anderen kunnen met die oude en eerbiedwaardige traditie niets meer aanvangen. Hun wereld- en mensbeeld is heel anders geworden.

Voor hen heeft ook de vrijzinnigheid niet veel meer te zeggen, omdat ook deze nog vasthoudt aan beelden van God en de mens die ver van hen afstaan. Maar het is altijd moeilijk gedachten die men zo lang heeft gekoesterd los te laten. Juist op het gebied van de levensbeschouwing gaat het om gedachten en voorstellingen waarmee men vaak van jongsaf aan is opgegroeid en die emotioneel een grote betekenis hebben. Men durft die voorstellingen dan niet op te geven omdat men bang is alle zekerheid en het fundament onder het bestaan te verliezen. In geloofsgemeen-schappen komt daar nog bij dat voor de voorgangers dan veel van het arsenaal waaruit men kon putten niet meer bruikbaar is of heel anders moet worden opgevat en dat laatste vraagt veel creativiteit en vaak moed omdat men vaak op kritiek zal stuiten. Voor besturen én voorgangers weegt soms ook zwaar dat men mogelijk mensen onzeker maakt als men oude voorstellingen laat varen. Aan de andere kant is het een feit dat men door halsstarrig vast te houden aan wat niet meer past in de moderne tijd de aansluiting met veel jongeren kwijt raakt. Bovendien is het zeker niet waar dat ouderen per definitie niet in staat zouden zijn met hun tijd mee te gaan. Maar in welk opzicht is het traditionele geloof niet meer aanvaardbaar? En zeker zo belangrijk, in hoeverre kan dit toch nog een bepaalde zin worden toegekend? Waar alles om draait is de voorstelling die men zich van God maakt. Om dit te verduidelijken kunnen we het beste naar de Islam kijken. We zijn niet met dit geloof opgegroeid, dus kijken we daar veel onbevangener naar. Als Mohammed beweert allerlei openbaringen van zijn God te hebben ontvangen, inclusief tal van voorschriften, denken wij als buitenstaanders: dat alles komt voort uit het bewustzijn of uit het onderbewustzijn van de profeet. Denken wij ook maar aan de profeten uit het O.T. Ook zij verklaarden dat de geest Gods tot hen was gekomen en vervolgens blijkt uit de teksten dat die vol haat zijn tegenover de vijanden van de Joden. Ook hier stellen wij vast dat het natuurlijk gaat om menselijke gevoelens die de profeet onder woorden brengt, in de mening dat die van God stammen. Je ziet aan deze enkele voorbeelden hoe gemakkelijk mensen allerlei gedachten en gevoelens toeschrijven aan God. We beginnen als kritische buitenstaanders echter al direct met een onderscheid te maken tussen woorden die wij als slecht, zelfs als verderfelijk beschouwen en verheven ideeën. Maar waarom zouden die laatste direct van God stammen> Zo beschouwd is natuurlijk heel de voorstelling van God die een heilsgeschiedenis heeft doen ontstaan natuurlijk ook niet anders dan een heel menselijke gedachte. Maar is die gedachte nu helemaal zonder zin? Wanneer wij naar de evolutie van het leven op aarde kijken is die verwonderlijk, ook al verloopt die ontwikkeling op een wetmatige manier. Zo kan men ook van een geestelijke ontwikkeling spreken. In de loop der tijden is het denken over God b.v. op een aantal punten gezuiverd. Denken we maar aan het onderscheid dat we hebben leren maken tussen wat er in de loop der tijden is geopenbaard. Zo hebben de Christenen wel het O.T. bewaard, maar heel veel van de teksten daarvan zijn als tijdgebonden ter zijde gesteld. Dat gebeurt al sinds het apostelconvent uit 48. Als wij weten ernst te maken met de gedachte dat er geen God is die van buiten af ingrijpt in de processen die zich in de natuur voordoen, noch in de geschiedenis van volken of enkelingen, gaan we ook begrijpen dat de evolutie op geestelijk en met name of religieus terrein samenhangen met ontwikkelingen van ons denken. Daarmee is de waarde van veel van wat vanuit het verleden tot ons komt allerminst weggenomen. Maar wij zullen de geestelijke erfenis uit het verleden kritisch beoordelen. Een belangrijk criterium is daarbij: welke gedachten kunnen stimuleren tot een denken en handelen welke tot een grotere mate van menselijkheid voeren? Zo is het begrijpelijk dat een inclusief denken hoger staat dan een exclusief. Een inclusief denken sluit anderen in, een exclusief denken sluit anderen uit. Wie naar de geschiedenis kijkt ziet de gevolgen van een exclusief denken. Het leidt steeds tot oorlogen en de poging anderen te vernietigen. Een tweede criterium is al in feite hiermee gegeven. Het gaat dan om het functionele aspect van het denken. Dat betekent dat je je afvraagt: leiden opvattingen tot een praktisch handelen of gaat het alleen om nobele ideeën? Wanneer we dit alles meer concreet willen maken kunnen we altijd weer terecht bij Albert Schweitzer. Hij werd geïnspireerd door de gestalte van Jezus zoals hij die uit het N.T. had leren kennen. Hij was ervan overtuigd dat Jezus werkelijk heeft geleefd. Maar vervolgens ging hij uit van de overtuiging dat de theologie van Jezus die was welke door velen in zijn tijd werd aanvaard. Het ging hier met name om het geloof dat het einde der tijden spoedig zou komen en dat dit op een bovennatuurlijke wijze zou worden gerealiseerd. Voor Schweitzer was dat geloof volstrekt uit de tijd. Schweitzer was ook veel te realistisch om te kunnen geloven in een dergelijk goddelijk ingrijpen in de geschiedenis. Toch bleef Jezus hem boeien en inspireren. Waar het hem om ging was de onvoorwaardelijke toewijding van Jezus aan wat hij als zijn opdracht beschouwde: de komst van het Godsrijk te helpen mogelijk te maken. Die inzet van Jezus dreef Schweitzer er toe zich in te zetten voor de lijdende mensheid, in zijn geval in Afrika. Maar het was hem volstrekt duidelijk dat een ieder op de plaats waar zij of hij staat die taak op zich dient te nemen.

Nu willen we even terugkeren naar het thema enthousiasme en Pinksteren. Het pinksterverhaal zit vol symboliek die deels ver van ons denken is verwijderd, maar het staat wel vast dat een groep mensen, na de dood van hun geestelijk leider, tot het besef moet zijn gekomen dat zij een boodschap hadden voor de wereld en dat hun rabbi op de een of andere manier een levende werkelijkheid was. Zij brachten hun boodschap vol overtuiging. Zij waren vol enthousiasme. Dat woord betekent letterlijk ‘van God vervuld zijn’. De vraag die naar voren komt is natuurlijk: wat hebben wij aan dat oude verhaal?

Als er al iets is dat wij als vrijzinnigen wantrouwen, dan is het wel een inhoudelijk vastgelegde boodschap. Die verkeert vaak snel in een onbetwijfelbare dogmatiek en daar zijn wij wars van. Onze boodschap zou een niet inhoudelijk vaste boodschap zijn, maar een appèl gebruik te maken van de vrijheid van denken. Onze boodschap is in feite: heb de moed zelfstandig na te denken. Blijf zoeken naar waarheid. Blijf je verwonderen over het leven. Tracht daaraan zin te geven en poog daarin zin te vinden. En probeer voor je naaste maar ook voor de natuur om je heen iets te betekenen. Deze boodschap met overtuiging, enthousiasme gebracht is minstens zo stimulerend en hoopvol als welke inhoudelijk vaste leerstelling. Ze is ook niet aan een bepaalde dag gebonden, maar is er voor alle dagen van ons bestaan.