Taal en religie

Een van de aardigste verhalen uit het Oude Testament is dat over de torenbouw van Babel (Babylon). De Joodse verteller spot met de grote tempelberg die men in Babylon had gebouwd.

Voor de bewoners van die stad was Babylon Bab-ilee, de poort van God. Maar de Joodse verteller leest voor die naam Balab-el. Dat betekent: God bracht in verwarring. God zou nl. het vermetele voornemen van de mensen om een toren tot in de hemel te bouwen hebben verijdeld door hen over de aarde te verstrooien en hun ene taal in vele talen te doen verkeren.

Taal is heel belangrijk. Door te spreken konden de mensen culturen doen ontstaan waarin opeenvolgende geslachten kennis en inzichten van hun voorgangers konden doorgeven aan hun opvolgers. In het verloop der tijden leerde men ook nog te schrijven. Daardoor kan men nog steeds kennis nemen van wat eeuwen geleden is opgeschreven. Waar de dagelijkse taal meestal goed wordt begrepen, is dat niet altijd het geval bij dichterlijke taal. Dichters maken vaak gebruik van allerlei beelden en associaties die niet altijd gemakkelijk te begrijpen zijn.

Religieuze taal is grotendeels verwant aan dichterlijke taal of is zelf poëzie. In de religie maakt men vaak gebruik van oude teksten. In het Christendom leest men nog steeds de oude boeken, die wij kennen als het Oude en Nieuwe Testament. Hierin worden beelden gebruikt die zijn ontleend aan wat de eigen omgeving de mensen bood. Zo zag men God als een oosters despoot, een heerser over leven en dood, nu eens toornig en gewelddadig en dan weer barmhartig en de mensen welgezind. Zo’n beeld van God biedt ook de Koran.

Het is begrijpelijk dat veel mensen zich niet meer kunnen vinden in die beelden van God uit het O.T. en de Koran. Daarom zijn heel wat mensen vervreemd van de Bijbel en van de kerken die nog al te vaak die verouderde beelden gebruiken. We hoeven maar te denken aan veel van de in kerken gezongen liederen. Maar dan is er ook nog het probleem dat in de Oudheid symbolen als werkelijkheid functioneren, maar dat zij dat voor ons niet meer doen. Dat wil niet zeggen dat symbolen nu zinloos zijn geworden. Zij verwijzen nl. naar wat we niet goed of zelfs helemaal niet kunnen omschrijven. Beelden en symbolen kunnen ‘slechts’ verwijzen naar het mysterie dat eigen is aan al wat bestaat. Men zal thans echter moeten zoeken naar beelden die ontleend worden aan onze leefwereld, wil men moderne mensen nog aanspreken. Hoe waardevol een traditie ook moge zijn, zij moet niet verstard geraken. Prof. Dr H.M. Kuitert schreef eens een boek onder de titel: Hetzelfde anders zien. Het is tevens nodig een andere taal te gebruiken. Men zal dingen moeten loslaten om te ontdekken dat daardoor ruimte ontstaat voor iets nieuws. Ook religieuze taal moet bij de tijd zijn.