Waar of werkelijk?

Voor de theologische student zal meestal de waarheidsvraag een belangrijke plaats innemen. Komt de student uit een orthodox milieu, dan zal zij of hij trachten via de studie de eigen overtuiging sterker te funderen. Maar als men uit een vrijzinnige omgeving stamt, zal men proberen een levens- en wereldbeschouwing op te bouwen op de basis van een kritische studie van de bijbel, van de dogmengeschiedenis en van andere religies uit het verleden en het heden.

Voor wie predikant of voorganger wil worden komt op den duur nog een andere dan de waarheidsvraag naar voren. Het is de vraag naar de functionaliteit van wat men via cursussen en de kansel of ook tijdens huisbezoeken te berde zal brengen. De vraag is: heb je straks werkelijk iets te zeggen waaraan mensen wat hebben in hun dagelijks leven? En hoe bereik je jongeren?

Ds K. Hendrikse heeft gelijk als hij stelt dat jongeren alleen al door de kerkelijke taal worden tegen gehouden een kerkgebouw binnen te gaan. En helaas vindt men nog te veel van die taal terug, ook bij de vrijzinnige organisaties. Maar het is niet alleen een kwestie van taal. Het gaat ook om voorstellingen van God. Al te vaak spreekt of zingt men over God als een ‘Iemand’ die allerlei zaken wil of juist niet wil, ‘Iemand’ die het leven van volkeren en individuen leidt.

Het traditionele spreken over God sluit in het geheel niet meer aan bij het moderne denken, dat in sterke mate wordt bepaald door de natuurwetenschappelijke ontdekkingen. Daarmee laat zich wel een spreken over het zijns- of levensmysterie verenigen.

 

Het is Friedrich Schleiermacher (1768-1834) geweest die een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen aan de ene kant religie in de zin van een religieus besef van het Mysterie dat zich aan ons voordoet als we naar het grootse universum kijken en ons besef afhankelijk te zijn van dat zijns- en levensmysterie waaruit alles voortkomt en aan de andere kant de manier waarop wij onze religieuze gevoelens verbinden met ons denken en trachten via allerlei vormen aan die gevoelens uiting te geven. Religie in de eerste betekenis hoort bij ons mensen, maar in de tweede betekenis is zij cultureel, historisch en sociaal bepaald.

 

Voor steeds meer mensen zijn de traditionele vormen van religie niet langer aanvaardbaar. Dat geldt ook voor veel van de vrijzinnige traditie. Maar juist omdat de Vrijzinnige Geloofsgemeenschap NPB geen kerk is en aan geen ‘kerkelijk’ gezag is gebonden, kan zij vormen ontwikkelen die aansluiten bij het moderne denken. Is er dan geen plaats meer voor b.v. de bijbel? Voor wie de bijbel beschouwt als twee bundels oude geschriften (Oude en Nieuwe Testament) zal bij lezing daarvan stuiten op heel wat teksten van grote literaire betekenis. Hoe zou dat ook anders kunnen zijn? Als je de oude bijbelse verhalen los maakt van allerlei dogmatische beschouwingen kunnen veel daarvan naast allerlei andere verhalen uit het verleden en het heden, alsook uit andere tradities ook moderne mensen nog altijd aanspreken. Dan vormen zij iets van een ‘werkelijkheid’ die bij mensen iets bewerkstelligt.

De vraag  ‘wat is waar?’ blijft belangrijk. De wijsbegeerte kan ons geen pasklare antwoorden geven op onze levensvragen, maar wel iets van een bestaansverheldering schenken.

De vraag ‘wat is werkelijk?’ blijft ook bestaan. Het zijn vooral verhalen die ‘werkelijk’ worden als ze ons echt raken. Maar steekt er in verhalen geen waarheid? Zeker. Maar dan gaat het om wijsheid of psychologisch inzicht. En natuurlijk kunnen historische feiten in b.v. bijbelse verhalen verwerkt worden. Maar bijbelse verhalen willen geen wetenschappelijk relaas geven. Als ze feiten verwerken, geven ze die om een bepaalde geloofsovertuiging uit te dragen. Dat is dus heel iets anders dan een wetenschappelijk feitenrelaas.