Waarom nog naar de kerk gaan

Dr. Rob Nepveu, 6 december 2009

Samenvatting

  1.      Is kerkgang nog zinvol nu de meesten van ons zich niet of nauwelijks meer richten op het hiernamaals?
  2.      Veel mensen leefden of leven soms nog in angst voor de hel.
  3.      Gelukkig zijn velen los komen te staan van die beangstigende ideeën, door een aantal kerken uitgedragen.
  4.      Al is men het kerkelijk geloof voorbij, religieuze behoeften bestaan nog.
  5.      Alle religies, dus ook het Christendom, gaan uit van verhalen – zijn daardoor van verbeelding.
  6.      In die verhalen zitten soms heel wijze gedachten, maar die geven niet wat wij historische feiten noemen.
  7.      Die wijze ideeën in de filosofische bezinning brengen iets van orde en zin in ons bestaan en zijn daarom waardevol.
  8.      Advent is een tijd van reflectie, van voorbereiding op het kerstfeest. In wezen gaat het om het beeld van de mens dat voor ons het lichtend voorbeeld is: de x-figuur als dienende medemens, in tegenstelling tot de individualistische mens die alleen eigenbelang nastreeft, de graaier die zich in vele gedaanten voordoet.

 

 Volledige tekst 

In een gesprek ergens na een religieuze samenkomst stelde iemand de vraag: “waarom nog naar de kerk gaan?”

Immers zo veel is er veranderd, zo veel is onzeker geworden dat men zich kan afvragen waarom men eigenlijk nog naar een kerk zou gaan. Dat is een reële en een heel eerlijke vraag. Want er is veel veranderd. Nog maar enige decennia geleden werden er ook in de toenmalige NPB-afdelingen nog oudejaarsdiensten gehouden. Niet alleen de Kerstdiensten werden zeer goed bezocht; soms hield men zelfs een dienst op de avond voor Kerstmis én op de ochtend van Kerstmis. Over het aantal bezoekers viel niet te klagen. Maar ook de oudejaarsavond werd goed bezocht. Het leek wat op de Joodse Grote Verzoendag. Voor het nieuwe jaar begon wilde men nog op een goede manier het oudejaar afsluiten. Daarna ging men weer over tot de orde van de dag. Op de zondagen kwamen weer de gewone, kleinere aantallen mensen naar de diensten. Maar, het hele leven speelde zich voor het besef van de meeste mensen nog af tegen een religieuze, zeg zelfs kerkelijke achtergrond. En de meerderheid van de mensen beschouwde het aardse bestaan als eigenlijk een voorportaal van het werkelijke leven na de dood. Heel wat mensen kenden ook nog de angst voor de mogelijkheid niet in de hemel te komen, maar voor eeuwig in de hel te moeten verkeren.

Hoewel het Christendom een blijde boodschap wil uitdragen, hebben kerken heel veel mensen met verschrikkelijke angsten en zorgen belast. En nog leven mensen in deze angstige situatie waar men zich God voorstelt als een machtig despoot.

Gelukkig hebben velen zich door de tijd los weten te maken van dit beangstigende geloof. Tegelijk moet worden gezegd dat steeds meer levensterreinen los zijn komen te staan van de invloed van de kerken. Daarom is het moeilijk dat in deze tijd veel moslims in dit land nog verkeren in een situatie die de autochtone bevolking grotendeels achter zich heeft gelaten. Voor deze mensen is het een vanzelfsprekende zaak dat veel van het zgn. profane leven niet los gedacht wordt van de invloed van het geloof. Niet dat in alle moslimlanden de sjaria, de islamitische wet, wordt toegepast. Denk bijvoorbeeld aan Turkije dat staat en religie gescheiden wil houden en daarin nog slaagt ondanks conservatieve tegenkrachten.

Maar, hoe het zij, de islam schrijft de gelovigen nog veel voor zoals dat voor de meeste christenen niet meer geldt. Daarmee zijn we terug bij de constatering dat heel veel mensen niet meer een christelijke, kerkelijke achtergrond van hun leven hebben. Sommigen missen dat alles niet. Hun leven hier en nu biedt hun voldoende om zinvol bezig te zijn. Ze hebben geen religie nodig om hun leven te leiden. Toch is er nog een grote hoeveelheid religie in onze samenleving. Het valt op hoeveel boeken er verschijnen over spirituele onderwerpen. Er is bij de boekhandel van alles te vinden over vele soorten meditatie. Vooral ook over Oosterse stromingen, zoals het Boeddhisme. Ook allerlei spirituele beschouwingen over de natuur genieten belangstelling. En daarnaast is er een geweldige aandacht voor boeken over samenzweringen van b.v. kerkelijke machthebbers. Men is soms druk bezig met de plaats van Maria Magdalena te bepalen. Was zij met Jezus getrouwd? Hadden zij een of meer kinderen?

Lezing van gnostische geschriften doet mensen geloven dat deze geschriften, die zijn verborgen ten gevolge van verdrukking van de officiële christen, waarheden bevatten die door de kerk zijn verdoezeld.

Dit soort gedachten komen makkelijk op in een tijd waarin veel mensen het vertrouwen kwijt zijn in politici, bedrijven, banken, maar ook kerken. De hele commotie rond de inenting tegen de Mexicaanse griep is een typisch voorbeeld van hoe mensen niets meer geloven als deskundigen spreken. Steeds bedenkt men weer iets dat het wantrouwen van de medemens versterkt. Wantrouwen is de grondhouding geworden i.p.v. vertrouwen. Tegelijk zie je ook weer dat mensen soms wel heel erg goedgelovig zijn. Nog niet zo lang geleden kon men een televisiereportage zien over een pinkstergemeente in Leiden. De voorganger brulde zijn gehoor toe zonder werkelijk iets te zeggen en hij wist de gemeenteleden er toe te brengen voor de kerk geweldige hoeveelheden geld te schenken. Mensen die uiteindelijk hadden ingezien hoe zij waren beetgenomen vertelden hoe zij hun oudedagsvoorziening bijna kwijt waren geraakt. Het is droevig te zien hoe goedwillende, maar wel erg naïeve mensen steeds weer het slachtoffer worden van geldbeluste voorgangers.

Maar het is in deze tijd van ontkerkelijking wel zo dat heel wat mensen toch een religieuze beleving en levensbeschouwing nodig hebben. Het schijnt dat religie bij de mens hoort. Hersenonderzoek heeft kunnen vaststellen dat een bepaald gedeelte van onze hersenen met religieus besef samenhangt. Dat is natuurlijk niet hetzelfde als een specifieke religie. Maar we bezitten kennelijk zoiets als een religieuze aanleg.

Maar hebben we religie ook nodig? Prof. Kuitert stelt in zijn boek ‘Hetzelfde Anders Zien’ dat wij mensen te doen hebben met een werkelijkheid die we voor een deel niet onder controle hebben. Al weten wij veel meer over de natuur dan mensen uit vroeger tijden, toch is er nog heel wat onzekerheid. Op zich is de werkelijkheid niet zinvol. Wij mensen trachten de chaos en de zinloosheid in te dammen. We doen dat door b.v. via onze verbeelding mythen te creëren waardoor we een soort ordening tot stand brengen en een zin geven aan het menselijk bestaan. Dat is wat alle religies hebben gedaan. De Joden b.v. vertelden hoe God de mens heeft geschapen. Zij bedachten een verhaal over de overtreding van Gods gebod niet van de vrucht van de boom des levens te eten met het gevolg dat de mens een moeizaam leven zou moeten lijden. De Christenen zouden vele eeuwen later gaan stellen dat door de dood van Jezus aan het kruis de relatie tussen God en de mens is hersteld. Maar dat alles is uiteraard een vorm van religieuze verbeelding. Het was Paulus, de bekeerde farizeeër Saulus, die de volgelingen van Jezus eerst vervolgd had in zijn ijver voor de Joodse wet, de Tora. Na zijn bekering zag hij dat deze weg tot zonde had gevoerd. Hoe kon het tussen hem en God goed komen? Naar zijn besef door het geloof in de offerdood van Jezus Christus. Het lijkt mij waarschijnlijk dat het zo is gegaan. Maar waar het hier gaat om een vorm van religieuze fantasie, heeft men hiervan in de kerken een waarheid gemaakt die men als zodanig dient te geloven, ook als men dat eigenlijk niet kan.

In het Jodendom en de Islam heerst vooral het geloof dat God allerlei verordeningen heeft geopenbaard via Mozes resp. Mohammed. En in het Jodendom bestaat de verbeelding m.b.t. het land Palestina, dat dit een gave van God zou zijn aan het volk Israël.

In het geval van het Jodendom en de Islam wordt ‘van verbeelding’ weer ‘van waarheid’, maar nu zó verstaan dat men zich aan de Goddelijke voorschriften moet houden. Maar als je consequent uitgaat van de notie ‘van verbeelding’ houdt dit dan niet in dat het hele geloof berust op fantasie? Dan zou je moeten zeggen: geloof, religie zijn uit de tijd, en kerkgang is verspilde tijd.

Toch is dat te kortzichtig. Je kunt ook zeggen: wat in verbeelding wordt uitgedrukt heeft toch te maken met bepaalde levenservaringen. Het leven is vaak moeizaam, de mens heeft behoefte aan een zekere regulering. Dat wil niet zeggen dat je moet geloven dat een God van buitenaf mensen, profeten, allerlei regels heeft gedicteerd. Maar voor een deel lijken die regels wijs en zinvol te zijn. Ik neem het voorbeeld van de Sabbat. In Gen. 1 wordt verteld dat God in zes dagen heel de werkelijkheid schiep om daarna de 7e dag te rusten. Hierdoor werd de Sabbat geheiligd. Natuurlijk is het hele scheppingsverhaal een product van menselijke verbeelding, maar er zit een wijs inzicht in verborgen. Rust is van belang voor de mens. Rust hoort a.h.w. tot de scheppingsordening. Dat de Joden later die rustdag vooral ook wilden besteden voor geestelijke bezinning, is ook weer een wijze beslissing. Het is goed over het bestaan, over je leven geregeld eens na te denken. Dat hoort nu eenmaal bij ons mensen. We zijn wezens aan wie zich vragen voordoen. Via verbeelding en filosofische reflectie kunnen we iets van orde en zin in ons leven aanbrengen.

En daarmee hebben we ook een antwoord op de vraag: waarom nog naar een kerk gaan? Ook al is de vraag naar het hiernamaals niet meer of nog maar in geringe mate voor ons van betekenis, de bezinning op het leven, hier en nu, kan helpen te komen tot een verheldering en verdieping van ons bestaan en kan dat bestaan waardevoller maken. Zo is de adventstijd een tijd van zinvolle reflectie op de vraag naar wat voor mens als lichtend voorbeeld zien we uit: een dienend medemens, of een individu die slechts het eigen belang nastreeft.