Wie was eigenlijk Jezus van Nazareth?

Over Jezus van Nazareth zijn bibliotheken volgeschreven. En nog altijd verschijnen er nieuwe publicaties over zijn leven en werken. Het is de grote verdienste van Albert Schweitzer geweest dat hij de literatuur over Jezus vanaf de 18e eeuw tot aan het begin van de 20e eeuw heeft beschreven, geanalyseerd en geëvalueerd. Zijn omvangrijke studie draagt de titel ‘Die Geschichte der Leben Jesuforschung’. Het boek is nog steeds een klassiek werk. Schweitzer is tot de conclusie gekomen dat de overgeleverde gegevens betreffende het leven van Jezus niet toereikend zijn voor het schrijven van een biografie. Daarom zeggen de vele geschriften die Schweitzer heeft bestudeerd vaak meer over de auteurs dan over de historische Jezus. Schweitzer gaat er vanuit dat Jezus beslist een historische gestalte is geweest. Om hem ook enigszins te kunnen begrijpen moet men hem dan ook in zijn culturele en historische context beschouwen.

Nu verwachtten de Joden in de tijd van Jezus dat de ‘nieuwe bedeling’, of het Godsrijk spoedig zou komen door het handelen van God. Voor Schweitzer staat het vast dat men Jezus alleen kan begrijpen binnen het kader van deze eindtijdverwachtingen. Maar dan is het voor Schweitzer ook duidelijk dat bij alle studies over Jezus de wezenlijke vraag is: gaat de auteur uit van die eschatologische context van Jezus’ leven of niet? Daarom heeft Schweitzer geen behoefte eraan gevoeld latere werken van Nieuw Testamentici te bespreken. In feite zouden zij geen werkelijk nieuwe inzichten bieden.

Tenslotte is het nog het vermelden waard dat Jezus, of althans het beeld dat het N.T. van hem heeft gegeven, voor Schweitzer zeer inspirerend is geweest. Al kunnen wij diens geloof niet meer delen, toch blijft Jezus ons inspireren ‘om dat te doen wat Jezus zou dienen te doen als hij nu zou leven’. Jezus zette zich in voor de komst van het Godsrijk, wij zouden dit nu verstaan als de inzet voor een humane samenleving. Aldus Albert Schweitzer.


Sinds Schweitzer’s optreden hebben verschillende Nieuw Testamentici toch opnieuw de vraag betreffende de historische Jezus aan de orde gesteld. Daarbij probeert men bij voorbeeld na te gaan waarin Jezus in zijn spreken en handelen overeenkomt en verschilt als men kijkt naar de verschillende Joodse groeperingen uit zijn tijd. Ook al is het niet zonder meer duidelijk wat Jezus precies gezegd en gedaan heeft, toch kan een zekere consistentie in de overlevering van zijn woorden en daden wijzen op een zekere authenticiteit daarvan, al blijft voorzichtigheid geboden (denk aan de invloed van allerlei theologie).


Het is Bruce Chilton, Anglicaans geestelijke en hoogleraar ‘Religion’, die een heel opmerkelijk boek heeft geschreven: Rabbi Jezus. An intimate biography’. Chilton vindt het opmerkelijk dat zijn collega’s eigenlijk niet consequent Jezus in zijn tijd en cultuur plaatsen. Ook volgen zij te veel de voorstelling, aan de evangeliën ontleend, dat het bij Jezus eigenlijk alleen zou gaan om zijn optreden aan het einde van zijn leven. Chilton legt een grote nadruk op de betekenis van het Aramees voor Jezus en zijn omgeving. Omdat de Joden uit die tijd nl. geen kennis meer bezaten van het Hebreeuws was de vertaling van de Hebreeuwse tekst in het Aramees voor hen zeer belangrijk. Die vertaling was echter vaak heel vrij en werd aangevuld met hele parafrases. Chilton schreef zijn boek na 30 jaar intensieve studie. Buiten de voor theologen gebruikelijke kennis van het Grieks, Latijn en Hebreeuws, had hij zich ook die van het Aramees, Syrisch en Koptisch eigen gemaakt. Bovendien heeft hij zich uitvoerig verdiept in de archeologische vondsten in Galilea en Judea. Hij heeft tevens een grote kennis verkregen van het Jodendom zoals deze mede uit buitenbijbelse gegevens kan worden verkregen.

Op die brede basis berust zijn biografie van Jezus, waarin hij Bijbelse gegevens vaak in een andere chronologische volgorde plaatst en vele teksten op een verrassende manier weet te belichten en beter weet te verstaan. Laten we nu allereerst Chilton’s verhaal in hoofdlijnen weergeven. Het is bekend dat twee van de vier evangeliën een geboorteverhaal van Jezus vertellen: Matteüs en Lucas. Die verhalen zijn allesbehalve identiek. Alleen laten beide evangelisten doorschemeren dat er een probleem bestond m.b.t. de vader van Jezus.

Dat Maria (Mirjam) de moeder was, was geen punt van twijfel. Chilton acht het aannemelijk dat Jozef, een weduwnaar uit Bethlehem, met Maria zou gaan trouwen, maar al voor de bruiloft een kind van hem verwachtte. Chilton heeft ontdekt dat er een Bethlehem heeft bestaan dicht bij Nazareth. Vanwege een O.T.ische tekst (Micha 5,2) die betrekking heeft op Bethlehem in Judea heeft men echter in het N.T. deze laatste plaats beschreven als de geboortestad. Daarbij sluit de legende over de kindermoord en de vlucht naar en latere terugkeer uit Egypte aan. Omdat Jezus nl. een tweede Mozes was moest hij immers uit Egypte komen.

Terug nu naar de geboorte van Jezus. Deze zal in Nazareth hebben plaatsgehad. Omdat Jozef uit een andere plaats kwam was diens vaderschap m.b.t. Jezus omstreden. Dat maakte dat Jezus na de besnijdenis op de 8e dag wel deel uitmaakte van het Joodse volk maar tegelijk een mamzer was, een soort paria, die de synagoge van Nazareth niet mocht betreden. Op een zeker moment is Jezus met zijn ouders naar Jeruzalem getrokken. Daar moet de aanblik van de tempel een overweldigende indruk op hem als jongen uit de provincie hebben gemaakt. Hij moet er grote behoefte aan hebben gehad achter te blijven in die grote stad om zo dicht bij de tempel te blijven en er de nabijheid van God te ervaren. Hij leefde daar als een bedelaar, afhankelijk van de gaven van gulle gevers. Dan verliet hij Jeruzalem om zich naar Johannes de Doper te begeven. Deze riep de mensen op tot bekering en liet hen zich in de Jordaan werpen om zo door het levende water van de rivier te worden gereinigd. Chilton is beïnvloed door de studie van Mary Douglas over rein- en onreinheid (Purity and Danger). Hij werd zich hierdoor bewust van het feit dat o.a. bij de Joden de begrippen rein en onrein een grote rol speelden. Het gaat hier natuurlijk niet om schoon of vies, maar om een in religieus verband juiste of onjuiste hoedanigheid. Nog altijd kent men in het Jodendom allerlei regels m.b.t. zogeheten koosjer voedsel. Daarbij gaat het niet slechts om wat men eet of drinkt, maar ook om de vereiste bereiding daarvan. In de tijd van Jezus ging men bovendien uit van de aanwezigheid van allerlei soorten geestelijke wezens. Het land werd verontreinigd door tal van demonische machten. De begrippen rein en onrein spelen in zulk een wereld een heel grote rol. Voor Johannes de Doper was, zoals gezegd, de reiniging door het Jordaanwater heel belangrijk. Chilton gaat ervan uit dat Johannes als rabbi – in die tijd nog niet een geïnstitutionaliseerde functie – een aantal specifieke leerlingen heeft gehad naast een groter aantal volgelingen. Ook Jezus zal zo’n leerling, een talmid, zijn geweest.


Jezus moet een soort visioen hebben gehad van de Geest Gods die in de gestalte van een duif tot hem kwam. Johannes moet hem hebben ingewijd in de diepere betekenis van het zogeheten Wagenvisioen dat Ezechiël in het eerste hoofdstuk van zijn boek beschrijft. Het is een overweldigend visioen van de goddelijke werkelijkheid. Via meditatie hierover kwam Jezus in de sfeer van goddelijke presentie. Als Johannes wordt gevangen genomen en ter dood gebracht op last van Herodes Antipas wegens zijn kritiek op diens huwelijk met de vrouw van zijn broer, trekken de leerlingen van Johannes weg. Jezus keert terug naar Galilea. Onderweg ontmoet hij bij een waterput een Samaritaanse vrouw. In de ogen van de niet-Samaritaanse Joden was zij een onreine vrouw. Toch vroeg Jezus haar om water. Vanuit zijn visie op de Goddelijke compassie viel haar onreinheid weg. Dit toont een liberale doorbraak in het denken van Jezus. Chilton ziet in de parabel van de verloren zoon de neerslag van wat hij zelf ervoer bij zijn terugkeer naar zijn familie. Jacobus, de oudere broer, vindt men in die gelijkenis terug als de broer die het niet eens is met de uitbundige ontvangst van de verloren zoon. In Nazareth werd Jezus toch ook geëerd. Hij was immers de talmid van de volksheld Johannes geweest. Hij had de tempel in Jeruzalem goed gezien en hij was in het welvarende, wereldse Judea geweest, aldus Chilton. Hij werd een rabbi.


Er brak een goede periode aan voor Jezus. Hij was overal te gast en genoot van de maaltijden waaraan hij deel had. Intussen was hij ook in zijn oude vak terug, de bouw. Bij de aanvang van de maaltijden sprak hij de zegening uit en bracht zo de Goddelijke presentie nabij. In Nazareth leefde iedereen met schulden. Die werden vereffend via betaling in natura; de grond leverde goed op. Keek hij naar de leefstijl in plaatsen als Kapernaum, dan stoorde hij zich aan de luxe en de geldeconomie aldaar. Je kunt, zo zei hij, niet God en de mammon tegelijk dienen. Hij had een afkeer van de status die de rijken zochten. Jezus zocht niet als de Farizeeën reinheid. Maar zij verschilden van inzicht hoe dit moest worden bereikt. De Farizeeën in Galilea, maar ook in Judea, met name in Jeruzalem, zochten het in een heel uitgewerkte regelgeving. Jezus zocht het in de innerlijke houding. Hij ontwikkelde zich langzamerhand tot een chasid, een vrome van Gods Geest vervulde.

Galilea was besmet door allerlei onreine geesten. Als een exorcist begon hij allerlei onreine geesten uit te drijven, hetgeen zijn gezag bij de Joden natuurlijk vergrootte. Zo’n geestuitdrijving was een geweldige gebeurtenis en lijkt op wat sjamanen in allerlei schriftloze samenlevingen doen.

Voor zijn familie leek het of hij niet meer bij zinnen was, maar zijn toestand paste bij wie gegrepen was door het machtige Wagenvisioen, zo maakt Chilton duidelijk.

Belangrijk is de confrontatie met de dignitarissen van Nazareth. Al suggereert Lucas dat Jezus meermalen de synagoge in Nazareth bezocht, het is voor Chilton duidelijk dat dit maar één keer plaatsvond. Hij zou volgens Lucas een passage uit het boek van de profeet Jesaja hebben gelezen. Chilton wijst erop dat Jezus in feite geen citaat geeft, maar een parafrase; hij wijst het vervolgens geheel af genezingen te verrichten in Nazareth. Hij verwijst naar Elia en Elisa die ook slechts een enkeling buiten het eigen volk genazen. Hier lijkt Jezus vanuit zijn ervaringen als mamzer, paria, te spreken. Daarop werden de mensen in de synagoge razend en het scheelde niet veel of ze hadden hem van een rots gegooid en daarna gestenigd.


De tijd in Galilea was voorbij. Jezus keerde naar Judea terug. Zijn familie was blij; immers zijn broers hadden hem duidelijk gemaakt dat hij maar beter in Judea zijn kunsten kon vertonen. In Judea vond Jezus nu een goed onthaal bij allerlei families. Welvaart en de pracht van de tempel deed in de 1e eeuw veel Joden denken aan de woorden van de profeet Zacharia, over alle volken die samenkwamen om in Jeruzalem het Loofhuttenfeest te vieren, aldus Chilton.

Voor Jezus – evenals voor andere rabbi’s uit die tijd – waren de woorden van Zacharia van grote betekenis. Men werd aangespoord zich in te zetten voor de komst van het Godsrijk. Enerzijds door zich streng aan de regels van de Thora te houden, anderzijds door militante actie. Jezus verklaarde op het lichtfeest Chanoeka zelf het licht der wereld te zijn. Dat riep verzet op. Daardoor werd de tempel voor Jezus gevaarlijk. Slechts door een aantal Galileërs om zich te verzamelen zou hij veilig zijn. Jezus trekt dan naar de enige veilige stad Kapernaum. Daar vindt de roeping der discipelen plaats. De N.T.ische weergave der gebeurtenissen is geïdealiseerd. Men liet niet meteen de vissersboten achter en staakte niet het vissen. Ze werden discipelen en steunden Jezus.


In het boek Daniël is er sprake van een engel naast de Troon van God. Die engel wordt in het Aramees aangeduid als one like a person. Deze engel bracht Jezus dicht bij de Troon van God (Dan. 7)

Jezus was dus eerst de talmid (discipel) van Johannes de Doper, vervolgens werd hij een rabbi en profeet, en dan een chasid (soort sjamaan), op den duur wordt hij echter steeds meer als de engel bij de Troon van God. Jezus bracht het Godsrijk nabij als een gemeenschap waarbinnen de goddelijke compassie leefde. Ook de in de ogen van de Farizeeën onreinen, tollenaars en hoeren konden deel uitmaken van die gemeenschap – ‘het Koninkrijk Gods is in uw midden’. Maar dat betekent niet als een geïndividualiseerd begrip, in het binnenste van de enkeling. Maar het betreft een gemeenschap. Hierin werd compassie betoond jegens de zwakken en misdeelden. De zuiverheid die kenmerkend was voor deze gemeenschap, is even contagieus als iedere onreinheid. Maar dat Godsrijk was, zo oordeelde Jezus, bestemd voor Gods uitverkoren volk. Hierin deelde hij het geloof van zijn Joodse omgeving. Stond Jezus vaak tegenover de Farizeeën, éénmaal neemt hij ook afstand van de Essenen. Hij zegt: de zonen van deze bedeling zijn verstandiger dan de zonen van het licht onder hun tijdgenoten (Lc 16, 8). De Essenen waren zeer strenge gelovigen, met een heel precieze, ascetische levensstijl. Het gaat bij Jezus in feite steeds om de innerlijke houding. Ook bij het bidden moet alle uiterlijk vertoon wegblijven.

Belangrijk was ook het vrouwelijk element voor Jezus. Het beeld Gods waarnaar de mens is geschapen (Gen. 1. 27) was mannelijk én vrouwelijk, de ruach (wind, geest), vrouwelijk woord in het Hebreeuws en Aramees, was bij God tijdens de schepping en wel als wijsheid (Spreuken 8, 22-31). Onder Jezus’ volgelingen waren ook vrouwen. Met name Maria uit Magdala nam een belangrijke plaats in.

 

Herodes Antipas zag in Jezus een gevaar. Sommige hem welgezinde Farizeeën waarschuwden hem voor de dreiging. Hij moest daar weg. Bij de oversteek van het meer van Galilea werden Jezus en de leerlingen geconfronteerd met een plotselinge geweldige storm. De discipelen raakten in paniek maar Jezus verkeerde in een diepe slaap of mogelijk een diepe trance, gefocust als hij was op de Wagen. Gewekt uit deze toestand gebood hij de natuurelementen tot rust te komen. De storm ging liggen maar de leerlingen vroegen zich af: wie is deze man? Jezus moet de engelfiguur voor de Troon uit Daniël hebben gezien en deze bevestigde hem dat God zijn volk zou steunen. De discipelen werden met Jezus opgenomen in die geestelijke wereld rond de Troon. Na een periode met de discipelen in de Decapolis, gelegen ten oosten van de Jordaan, zond hij twaalf van hen uit om als discipelen van Jezus, als chasidim (vrome sjamaanachtige figuren), de boodschap uit te dragen dat het Godsrijk spoedig zou komen, om net als hun goeroe Jezus heil te brengen (Matt. 10).


Chilton gaat niet in op het punt dat de discipelen toch terug komen voordat het Godsrijk een feit was geworden. Heel verhelderend is wat Chilton over het verhaal betreffende de bruiloft in Kana zegt. Ten onrechte heeft het N.T. er een Hellenistische versie van gemaakt waardoor Jezus een soort Dionysos wordt. Maar het gaat niet om een mirakel. Jezus maakt duidelijk dat door het drinken van het zuiverende water de reinheid van Israël en Galilea van binnenuit plaats moest vinden. Interessant is vervolgens de uitleg van het verhaal over de spijziging van een grote massa. Het gaat weer niet om een vermenigvuldiging van vijf broden en twee vissen. Het gaat om het zeer sobere leven dat men van de volgelingen van Jezus verwacht. Het verhaal is een soort vernieuwde versie van dat over de spijziging door Elia (2 Kon. 4). Jezus en zijn volgelingen leefden als die oude profeten sober. Men leefde van de opbrengst van het land en van wat mensen hun gaven. Langzamerhand groeide men toe naar een situatie waarin men alle gevaren moest trotseren voor de komst van het Godsrijk. In het verhaal over de transfiguratie wordt duidelijk dat de drie leerlingen, Petrus, Jacobus en Johannes, met Jezus op de berg Hermon het Wagenvisioen deelden. Petrus wilde drie hutten bouwen voor Mozes, Elia en Jezus, zo wordt verteld. Dat wil zeggen dat Jezus net als Mozes en Elia eens de goddelijke werkelijkheid naar Israël bracht. Dat Jezus het visioen liet delen door drie komt overeen met de Joodse overtuiging dat het Wagenvisioen gevaarlijk is en niet aan één moet worden geopenbaard. Nu was de opvatting dat de komst van het Godsrijk niet alleen in Galilea maar vooral in Jeruzalem zou plaatsvinden. De Targoem van Zacharia 14 stelt dat heel duidelijk.

Jezus trekt nu met een schare, vooral Galileërs maar ook een aantal Samaritanen, naar Jeruzalem. In het tempelgebied werd handel gedreven. Dat druiste in tegen de visie vertolkt door Zacharia. Jezus en de zijnen plegen een aanslag op de handelaren in een zuiveringsactie. Dit leidt niet tot een ingrijpen door de Romeinen, maar de hogepriester Kajafas was niet blij. Wanneer het volgend voorjaar weer het Paasfeest zal worden gevierd zal de eindperiode van het leven van Jezus plaatshebben. De N.T.ische voorstelling dat de voorbereidingen voor het laatste pesachmaal in zo korte tijd konden plaatsvinden is niet realistisch. Wat het laatste avondmaal betreft is het zeer verhelderend dat Chilton vaststelt dat de N.T.ische versie is gebaseerd op de Christelijke eucharistieviering maar totaal niet juist kan zijn vanuit een Joodse visie. Het is ondenkbaar dat een Jood bloed drinkt. Wat het ritueel van Jezus betreft gaat het om de gedachte dat wanneer de Israëlieten brood en wijn met elkaar delen in reinheid en in Gods tegenwoordigheid dit gelijk staat met het offeren van vlees en bloed in de tempel. Men zou hier natuurlijk ook met Schweitzer kunnen denken aan een maal als voorafschaduwing van het maal in het Rijk Gods.


Chilton wijst erop dat Jezus hier een heel radicale gedachte ontwikkelt. Dit zou Judas te ver zijn gegaan: vandaar dat hij Jezus uitleverde aan de hogepriester Kajafas. Een samengaan van belangen leidde tot Jezus’ executie. Vóór het Paasfeest wilde de hogepriester af van de mogelijke oproerling; dat kwam ook Pilatus goed uit. Bovendien, een samenwerking met de Joodse overheden was gunstig voor zijn niet te beste reputatie op dit punt. En ook Herodes Antipas was een gevaarlijke rabbi kwijt. De Romeinen voltrekken de kruisiging. De begrafenis moest zo snel mogelijk plaatsvinden, weer een kwestie van reinheid vs onreinheid. Dan volgt de opstanding. Voor een historicus gaat het om een groot probleem. Wat zijn de feiten, wat is fictie? Vanuit de grote betekenis van het Wagenvisioen en de geestelijke verheffing van een aantal van zijn volgelingen lijkt het zeer goed denkbaar dat men Jezus in visioenen zag (vgl. de Maria visioenen!). Daar past ook de glossolalie bij op Pinkstermorgen. Wat merkwaardig is is dat Chilton in dit verband naar een mogelijke verklaring via de kwantumfysica verwijst. Dit is m.i. een vreemd element in het verder volstrekt redelijke betoog. Daarvoor had hij ook nog zo’n merkwaardige opmerking wanneer hij de vraag stelt: was Jezus misschien een wonderdoener? (n.a.v. het verhaal over Jezus’ gebod tot de elementen om tot rust te komen). Hiermee zijn wij aan het slot gekomen van de samenvatting van de intimate biography van rabbi Jezus van de hand van Bruce Chilton.

Het is duidelijk dat hij het N.T. kritisch benadert. Hij vindt er duidelijk Hellenistische elementen in terug, waardoor Jezus te gemakkelijk als een afvallige Jood wordt beschouwd.


Na deze beknopte samenvatting rijst de vraag: hoe moeten we dit boek nu beoordelen? In de eerste plaats moet worden gezegd dat de Jezus-biografie van Chilton zeker plausibel overkomt. Het hele verhaal laat o.m. de innerlijke ontwikkeling van Jezus zien en die lijkt heel aannemelijk geschetst. Uiteraard is deze intimate biography nog geen ultimate biography. De wetenschap gaat voort en nieuwe studies zullen worden geschreven. Deze kunnen tot een ander beeld leiden van Jezus of dat door Chilton beschreven bevestigen.

Een wezenlijk punt is of Johannes de Doper Jezus inderdaad heeft ingewijd in de speculaties over het Wagenvisioen van Ezechiël. Die hypothese speelt een heel belangrijke rol in het boek van Chilton. Nu is het wel zo dat in het boek van de profeet Ezechiël 36, 25-36 sprake is van reiniging met zuiver water en het schenken van een nieuw hart door God. Ezechiël speelde dus een rol in het denken van Johannes. Johannes kan dus door Ezechiël zijn geïnspireerd en mogelijk met het Wagenvisioen bezig zijn geweest. Niettemin is het een boeiend gegeven dat Chilton een biografie van Jezus heeft geschreven, terwijl Schweitzer dit onmogelijk achtte. Maar dan moet worden gezegd dat Chilton hiervoor gebruik heeft gemaakt van veel Joods materiaal dat pas later te boek is gesteld. Hij heeft dat bezwaar zelf genoemd, maar daartegenover laten gelden dat wat later is opgeschreven al veel langer mondeling of als gebruik gangbaar kan zijn geweest. Tenslotte rijst de vraag wat de figuur van Jezus nog voor de moderne mens kan betekenen als men hem ziet zoals Chilton hem heeft beschreven. Uiteraard is dit geen vraag voor de historicus maar een interessant probleem voor een wijsgeer of dogmaticus. Ik zou een paar dingen willen noemen. De Jezus van deze biografie kent momenten waarop hij een etnocentrische houding doorbreekt. Jezus is niet zoals de Farizeeën van oordeel dat de Thora, de van God gegeven regelgeving, tot in de kleinste details moet worden geanalyseerd met het gevolg dat de regelgeving steeds verder wordt uitgewerkt. Maar Jezus keert zich ook niet tegen de Thora. Hij wil daar niets van af doen. Maar het gaat hem in de eerste plaats om de innerlijke houding van de mens. Men zou bij Jezus van een gezindheidsethiek kunnen spreken. Het gaat allereerst over de intentie. In dat opzicht vindt men bij hem overeenkomsten met het moderne liberale Jodendom. Naast ethiek kent hij ook een zekere mystiek in de zin van een zeer nauwe band met God, die voor hem de vader (Abba) is. Maar dan is er ook de inzet van Jezus voor de realisatie van het Rijk Gods. M.i. vindt men in het boek van Bruce Chilton weer een aantal kenmerken van Jezus die we ook kennen uit het N.T. Net als bij de opvattingen over Jezus van Albert Schweitzer laat de biografie van Chilton Jezus zien als een kind van zijn tijd en met geloofsovertuigingen die de onze niet meer zijn. Beide auteurs schetsen Jezus als iemand die ver van ons af staat in tijd, religie en cultuur. Toch komt Jezus in hun werk over als een boeiende figuur die op genoemde punten ook moderne mensen nog kan aanspreken. Tegelijk lijkt de Jezus zoals door Schweitzer en Chilton geschetst, ver verwijderd te zijn van de door de dogmatiek geconstrueerde Jezus Christus.

Nog even ter verheldering een samenvatting in enkele punten

  1. Over Jezus van Nazareth zijn bibliotheken volgeschreven en nog steeds verschijnen er publicaties over hem.
  2. Albert Schweitzer kwam in zijn klassieke studie over het onderzoek betreffende het leven van Jezus tot de slotsom: het is op grond van de teksten die ons ter beschikking staan niet mogelijk een biografie over Jezus te schrijven. Maar het is wel zo dat we Jezus totaal niet kunnen begrijpen als we hem niet in zijn omgeving bestuderen.
  3. Bruce Chilton heeft gepoogd Jezus zo goed mogelijk te beschouwen in diens Joodse context met een grote nadruk op de Aramese bijbeltraditie – de Targoemim. Hij schreef een intimate biography.
  4. Jezus was z.i. een mamzul (paria) omdat het vaderschap van Jozef niet onomstotelijk vaststond.
  5. Hij wordt een talmid, discipel van Johannes, door deze ingewijd in de geheimenissen van het Wagenvisioen uit Ezechiël.
  6. Jezus wordt een rabbi. Niet de reiniging door het levende water, maar door de zuivering van het innerlijk wordt men echt rein, zo luidt zijn leer.
  7. Jezus reinigt door het verdrijven van demonen. Hij wordt een chasid (soort sjamaan) vervuld van Gods Geest.
  8. Jezus wordt steeds meer als de engel naast Gods Troon uit Daniël 7. Hij staat in de lijn van Mozes en Elia.
  9. Tenslotte maakt hij duidelijk dat de gezamenlijke maaltijd van brood en wijn eenzelfde betekenis heeft om Gods presentie te ervaren als de bloedige tempeloffers. Dat is een heel eigenzinnig standpunt.
  10. In een extatische toestand nemen zijn discipelen hem waar na zijn dood (vgl. Paulus’ ervaring).