David danst door dr. Alphons van Dijk

Dr. Alphons van Dijk

 

Vandaag wil ik met u nadenken over kwetsbaarheid en verwondering in verbinding met lachen en dansen. Ze lijken op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken te hebben. Religie of levensbeschouwing wordt gewoonlijk beschouwd als een gewichtige zaak. Een zichzelf serieus nemend mens heeft een even serieuze opvatting over zijn of haar bestaan. Het is in onze kringen zeker ongebruikelijk in verband met de eigen levensovertuiging te spreken over lachen en dansen. Alsof de erfenis van een wat zware kerkelijkheid ons daar nog steeds van afhoudt. De kerken hebben eeuwenlang benadrukt hoe serieus religie genomen moet worden. In de katholieke traditie moest ook het ritueel ernstig en met een soort heilige traagheid worden gespeeld. In de protestantse traditie, zeker in Nederland, moest het Woord, onderlijnd door gedragen orgelspel, voldoende zijn. De menselijke zintuigen en het lichamelijke waren vooral een bron van argwaan. Vrijzinnigen en zelfs humanisten zijn daar vaak in mee gegaan, ook zij willen hun overtuiging graag beredeneerd hebben en spreken er vaak ernstig over.

Dat aartsbisschop Desmond Tutu te midden van een menigte in Zuid-Afrika ritmisch wiegt en danst, laat een soort locaal coloriet zien, waar wij in onze contreien weinig mee ophebben: aanzienlijke personen met een hoge functie horen zich waardig te gedragen en hoogstens vriendelijk en minzaam te lachen.

 

Ik zal proberen een verband te leggen tussen kwetsbaarheid en verwondering enerzijds en lachen en dansen anderzijds. En dat verband duidelijk maken vanuit de innerlijke houding van deemoed, open staan voor het onverwachte en de bereidheid in het eigen innerlijk af te dalen en zichzelf daarbij niet al te serieus te nemen. Om daardoor tot een lichtvoetige levenshouding te komen.

 

De dichter Leo Vroman heeft een reeks Psalmen geschreven. In Psalm II richt hij zich tot het SYSTEEM. Dat is voor hem wellicht een andere uitdrukking voor het ìn en àchter alles verborgene Mysterie/mysterie:  

 

“Systeem, Systeem, waar is mijn plaats?

Planeten wachten buitengaats,

geen Mars legt aan, geen Venus daalt.

Word ik verwacht of afgehaald?”

 

 

Sinds enkele decennia kunnen we onze aarde bekijken vanuit de ruimte. Die Aarde wordt door astronauten soms beschreven als “een oud en gammel ruimteschip met een beperkte hoeveelheid brandstof”. Het optimisme en de expansiedrift van de negentiende eeuw hebben geleidelijk plaats gemaakt voor het besef van kwetsbaarheid en eenzaamheid van onze kleine planeet. En van de nog kleinere mens op die kleine planeet.

Op Kerstavond 1968 was de ruimtecapsule Apollo 8 onderweg in een baan om de maan. De drie astronauten waren door jarenlange training op alles voorbereid: ontberingen, onverwachte omstandigheden en zelfs een mogelijke dood. Maar ze waren mentaal níet voorbereid op het verschijnen van de aarde boven de horizon van de maan. Met de verpletterende indruk van dit plaatje had niemand rekening gehouden. Volgens commandant Borman bleef op deze afstand niets over van nationalistische belangen, oorlogen en andere aardse ellende. De drie zagen slechts een wereld, nietig, maar tegelijk ook de enige bron van kleur in een verder in zwart en wit uitgevoerd heelal. Enkele jaren later zou een andere astronaut een geestelijke ommekeer ervaren, toen hij enkele korte minuten los was van het ruimteschip; innerlijk voelde hij zich juist intens verbonden met Moeder Aarde.

 

Vaak wordt gezegd dat het bereiken van de maan een belangrijke mijlpaal is geweest in de twintigste eeuw. Men let dan vooral op de technologie. Slechts een nadenkende enkeling vindt dat de aan de mensheid geboden gelegenheid om vanuit de ruimte een blik te werpen op de eigen planeet van veel meer gewicht is. Bij de onlangs gestorven Wubbo Ockels kreeg het pleidooi in de oneindige ruimte aandacht te blijven geven aan die minuscule aarde een bijna religieuze dimensie. De ruimtevaart heeft ons geleerd hoe aards we zijn., hoezeer we afhankelijk zijn van de elementen aarde, water, lucht en vuur.

 

Dichter Leo Vroman gaat nog verder. Hij keert vanuit het overweldigende macro perspectief op de kosmos direct terug naar de kleinste micro eenheid, de miljarden lichaamscellen waaruit wij mensen bestaan. Als bioloog en als dichter weet Vroman dat er niet alleen een enorm heelal buiten ons bestaat, maar ook een ragfijne kosmos van myriaden cellen en verbindingen in ons.

 

“Uw stem herhaalt zich andermaal

wanneer ik u maar ademhaal,

kaatst in het hol van elke cel

wanneer ik zelf de waarheid spel”.

 

Hij richt zich in zijn Psalm gedichten soms uiterst serieus tot dat overweldigende Systeem of Mysterie, om daarna dat hele grootse gebouw onderuit te halen. Hij weet dat hij eigenlijk helemaal niets weet en zeker niet van binnenuit begrijpt; het kan alles onzin zijn, wat hij schrijft. Soms kan hij lachen om zijn eigen fascinatie voor dat Systeem of Mysterie : 'Een mens moet zichzelf niet al te serieus nemen'! Hij is als het ware buiten zichzelf van verrukking, hij is soms 'verrückt', een deugniet. Soms deugt hij niet volgens de gangbare criteria van de ordentelijke en zichzelf als o zo redelijk beschouwende mensen.

 

Onlangs stond in Trouw (28.04.2014) een verslag van een bezoek aan een bezinnigsbijeenkomst voor atheïsten en agnosten, zoals die de laatste tijd steeds meer voorkomen als alternatief voor kerkdiensten. Ook niet-gelovigen willen immers wel zoiets als bezinning.

De journalist schreef: “Er wordt niet gebeden, niet gezongen. Niets vereerd. Geen stilte in acht genomen. Maar er wordt wel naar elkaar geluisterd. Er wordt kwetsbaarheid gedeeld. EN GELACHEN”.

 

Als iemand aan het menselijke verhalenboek bij uitstek, de Bijbel denkt, is lachen niet bepaald de eerste associatie. Onze omgang met de bijbelse verhalen, zelfs als we ze als puur menselijke verhalen beschouwen, is nogal ernstig; we willen er lering uit trekken, iets van meenemen. Lachen lijkt dan oppervlakkig. Er wordt in de Bijbel zelden of niet gelachen. Als lachen al een enkele keer voorkomt is het een spottend lachen. In psalm 2 lacht de sterke God van Israel zijn menselijke vijanden uit. En als Sara, de vrouw van Abraham, te horen krijgt dat ze op hoge leeftijd nog een kind zal krijgen, reageert ze vol ongeloof; “laat me niet lachen”.

Joodse zelfspot, het lachen om de eigen groep, kennen we nog uit de jaren vijftig van de vorige eeuw: Max Tailleur met zijn moppen van Sam en Moos is de ouderen onder ons nog wel een begrip. Zijn lijfspreuk was: “ik lach om niet te huilen”. Het gaat dus om een tragikomisch lachen, er zit existentiële pijn onder, medegevoel met de schlemiel, de arme joodse sjacheraar, die we in onze huidige samenleving niet meer kennen. Niet bepaald een onbekommerd lachen, uit pure vreugde of verrukking. Wel spreekt er een enorme zelfrelativering uit.

 

Toch kennen we allemaal de uitdrukking 'zich krom lachen'. Als dat echt lachen is, gaat het niet om 'lachen-om-iets of iemand', en al helemaal niet om uitlachen. Echte, pure humor gaat eigenlijk om niets, om ogenschijnlijke pietluttigheden die opeens komisch blijken te zijn, om iets dat niet binnen het gangbare verwachtingspatroon, binnen een geordende wereld past. Wetenschappelijke onderzoekers hebben ontdekt dat dit hartelijke lachen – zomaar lachen – de gezondheid van mensen bevordert. Het werkt ontspannend en wekt het zogenaamde gelukshormoon endorfine op, dat kalmerend en pijnstillend werkt.

 

Er bestaat zelfs een lachtherapie. Het is een manier om je mentaal te ontspannen en te genieten van het moment; even uit je gewichtige zèlf te stappen. Tijdens die therapie lach je zomaar, uit het niets en om niets, zonder enige reden of aanleiding. Dat lachen is dan echt aanstekelijk. Wie ongeremd, direct en spontaan lacht, stopt met denken en piekeren en ontspant zich helemaal, wordt leeg. De therapie wordt wel eens in verkorte vorm gegeven in de pauze van een symposium, als mensen geconcentreerd hebben geluisterd of gesproken. Meestal is het dan in hun hoofd behoorlijk druk geworden, zodat de gedachten als een vliegwiel blijven doordraaien. Aan het lachen gebracht worden door een voor-lacher – als alternatief voor de voor-ganger -- brengt dan ontspanning en een nieuwe lichtheid teweeg. Als we dat eens een enkele keer in de Walkart zouden kunnen meemaken; in plaats van een serieuze voorganger iemand die ons schuddebuikend uitnodigt mee te lachen!

 

Voor mij heeft dat lachen met lichtheid of lichtvoetigheid te maken, mentale lichtvoetigheid, zoiets als ...huppelen in de geest. Lachen is dan verwant aan dansen-van-blijdschap, een vreugde willen uitdrukken die door alle poriën naar buiten dringt zodat je gewoon niet stil kunt zitten... Echt en hartelijk lachen laat een mens niet onbewogen, hij móet als het ware wel bewegen.

 

 

Terug naar de verwondering over de grootsheid van het heelal. In Psalm 98 wordt de Schepper geprezen: “Dat de stromen in de handen klappen, de bergen tezamen jubelen. Zelfs de hemellichamen sluiten zich in hun cirkelgangen aan bij de onophoudelijke reidans ter ere van hun Maker”, zo zingt de psalmist.

Die kosmische werveling of verrukking vinden we in het klein terug in het verhaal over de bijbelse koning David, die danst voor de Ark van het Verbond die naar Jeruzalem wordt gebracht...

 

Ik lees voor uit het tweede boek Samuel, hfdst. 6, 12 – 17 en 20 -23.

 

In dit verhaal danst David vol overgave, slechts gekleed in een linnen hemd. Maar Michal, de dochter van Davids voorganger koning Saul, met wie David zou trouwen, minachtte hem daarom: een koning in zijn ondergoed, bijna bloot, belachelijk! Moet ik trouwen met iemand die de grenzen van zijn waardigheid niet weet te bewaken? De christelijke kunst heeft het ook moeilijk gehad met die eenvoudig geklede, wervelende danser. Zoekend op het internet vond ik klassieke prenten waarop David bij het extatische dansen eigenlijk last moet hebben gehad van de vele wapperende gewaden en de zware kroon op zijn hoofd. De christelijke verbeelding heeft hem, die als een simpele ziel wilde dansen, toch weer tot een dignitaris, een hoogwaardigheidsbekleder gemaakt.

 

Naakt of slechts dun gekleed dansen is elders in het boek Samuel (1, hfdst 19,23) een teken van goddelijke vervoering of verrukking. Tegenwoordig heet dat 'uit je dak gaan'. Het is ook het besef van eigen nederigheid, jezelf durven verliezen. Tegenover het overweldigende mysterie hoeft geen decorum te worden opgehouden. Het woord 'enthousiasme' betekent in het Grieks: 'door een godheid bezeten zijn'. Wie echt enthousiast is, denkt niet aan de manier waarop hij of zij op anderen overkomt. Hij is geestdriftig en tegelijkertijd nietig. Bij het woord 'geestdrift' moet ik terugdenken aan de regel uit het gedicht van Leo Vroman: “Uw stem herhaalt zich andermaal, wanneer ik u maar ademhaal, kaatst in het hol van elke cel, wanneer ik zelf de waarheid spel”. Geest wordt vaak gedacht als 'adem' of 'wind'. Met Pinksteren krijgen de bange en schuchtere apostelen de Geest ingeblazen, de adem die die god ook in het scheppingsverhaal de mens inblaast; zijn geest/Geest. Dan wil je wel bewegen, jezelf uiten. Je maakt je er niet druk om dat de omstanders denken dat je dronken bent en wartaal uitslaat, zoals het de apostelen met Pinksteren overkwam.

 

De Statenvertaling schrijft dat David 'huppelde'. Michal zag haar man 'dansen en springen voor de Heer, en haar hart vulde zich met minachting'. En dan eindigt het verhaal met de simpele mededeling dat Michal haar leven lang kinderloos zou blijven, d.w.z. een onvruchtbaar leven zou hebben. Dat krijg je, aldus de schrijvers van dit verhaal: aandacht voor waardigheid kan onwaarachtig maken, decorum is vruchteloos.

 

De teneur van het verhaal is duidelijk: durf je tegenover het overweldigende mysterie klein te voelen en juist dáárin iets van geest te ervaren.

In dit verhaal is de geest lijfelijk, ademend, zingend en dansend, proestend van verrukking. Hier zien we weer eens dat in de bijbelse mentaliteit lichaam en geest één zijn, geheel in elkaar verweven. David is uiterst serieus als hij van pure verrukking danst. Voor de grootsheid van het mysterie kun je jezelf niet rationeel in bedwang houden, je wordt als het ware knettergek omdat je niet weet waar je met je gevoelens naar toe moet. Als een ingrijpende ervaring je mentale draagkracht overstijgt kun je alleen maar doen als Mirjam, de zuster van Mozes, na de gelukte Uittocht uit Egypte: ze pakte de tamboerijn en alle vrouwen volgden haar, dansend en op de tamboerijn spelend (Ex.15,20). Haar gezang is later uitgegroeid tot het Magnificat dat in onze muziekgeschiedenis zo'n grote rol heeft gespeeld. Maar het is opgegaan in de verfijnde muziekcultuur, uitgevoerd door professionals. Wanneer gaan kerk- of andere levensbeschouwelijke gemeenschappen inzien dat je lofzang, blijheid en dankbaarheid echt kunt dansen.

 

Wonderlijk toch, hoezeer we in de officiële religies en levensbeschouwingen in Europa de lichamelijkheid van onze geest hebben ingeperkt, alsof de geest niet vrij mocht waaien,

alsof de geest in zijn ernstige beschouwelijkheid bang was voor de verrukking van de zang, de expressie van de dans en zelfvergetelheid die kan ontstaan door een opzwepend, enthousiast ritme. Dat laten we graag over aan de Afro-Amerikaanse kerken of de pinksterbewegingen. Of aan negro-spirituals. Maar eigenlijk vinden we die expressie een beetje vreemd en verdacht, alsof we, als Michal in het verhaal van David, toch een beetje aan onze waardigheid hechten en met hartelijk lachen en dansen niet goed raad weten. Ik bedoel hier niet in al te letterlijke zin het expressief fysiek dansen, maar vooral het dansen in de geest, ik noemde dat eerder 'huppelen in de geest', het niet vastzitten in gangbare meningen en in de angst voor aantasting van onze waardigheid, ons zelfwaardegevoel, maar juist beweeglijk, flexibel van geest blijven.

 

Tot slot een vraag

 

In kringen van vrijzinnigheid wordt gewoonlijk gezegd, dat, als er al iets goddelijks aan ons mensen zou zijn, dat goddelijke dan ìn ons zou wonen en niet buìten of bòven ons. Dan wil ik met een vraag eindigen: Waar is die innerlijk god of dat mysterie dan, vooral in ons hoofd en of vooral in elke cel en elke ademtocht, zoals in het gedicht van Leo Vroman?

 

Ik wil weer eindigen met een gedicht, van Fernando Pessoa. Het gaat over de menselijke neiging altijd weer te vragen, te willen begrijpen:

 

“Wat weet de rivier hiervan en de boom?

En ik, die niet meer ben dan zij, wat weet ik ervan?

Telkens als ik naar de dingen kijk en denk aan wat de mensen ervan denken,

Lach ik zoals een koele bergbeek klatert over stenen”.

 

  

Ik wens ons allen dat we naar huis gaan met een luchtig gemoed, een verlicht en lichtvoetig hart. Ook al doen onze benen niet altijd meer mee, innerlijk kunnen we lachen en dansen. Het maakt ons milder ten opzichte van onszelf en vooral van anderen. Dat alles wens ik u toe!

 

Ik wil u vragen met mij nog twee minuten te willen blijven luisteren naar een kort, lichtvoetig muziekstuk van Henri Purcell.