Menselijkheid door dr. Alpons van Dijk

Zojuist zongen we: “Kom tot ons, eeuwige in de tijd”. We wensen vanuit de onvoorstelbare dieptedimensie die we in alles vermoeden een moment van inspiratie voor ons alledaagse bestaan. Daarin loopt de tijd immers vaak door onze vingers heen. Maar soms kunnen we een moment ervaren waarin de tijd even stil lijkt te staan. Het kijken naar het gelaat of in de ogen van een mens kan ons bijvoorbeeld in een flits een haast tijdloze blik geven op menselijkheid of humaniteit die ons ten dieptste raakt. Zo'n blik op menselijkheid wens ik ons allen toe.

 

Overdenking

 

Ik wil vandaag over Menselijkheid of Humaniteit nadenken. Daarvoor ga ik kort terug in de geschiedenis, naar de overgang van de Middeleeuwen naar de Renaissance, omstreeks 1450 -1500 van onze jaartelling. In de Middeleeuwen bestond er zoiets als een fascinatie voor de ellende en de misère van het menselijk bestaan. In tijden van oorlog en rampen trokken optochten van flagellanten rond, mensen die zich geselden en extreme boete deden om de ellende, die over hen was gekomen, af te wenden. Ze beschouwden die ellende als De Wrake Gods. De mens was zondig en moest dus wel lijden. Men kon alleen maar hopen ná dit leven alsnog van hemels geluk te kunnen genieten, als men tenminste een God welgevallig leven had geleid. Somberheid alom dus in het aardse leven. Ook de jonge Maarten Luther worstelde daarmee. De mens was schuldig voor de almachtige God en kon zèlf niets aan zijn heil bijdragen.

 

Omstreeks 1480 wilden enkele geleerden afscheid nemen van dat beeld van de mens als een pure, tot lijden gedoemde ellendeling. Christelijke humanisten begonnen te schrijven over De Menselijke Waardigheid. Men durfde denken over de voorteffelijkheid van de mens. Die zou als een vrij kunstenaar zichzelf kunnen vormen en beschaven. Hij was in dit aardse leven in staat tot geluk. Dat betekende een radicale omslag, een culturele en religieuze verademing. Geen drukkende nederigheid meer, maar ontplooiing, opbloei, renaissance. De mens was een vrij wezen en kon bijna een god worden.

 

Ik zie een parallel met onze tijd. Wij allen hier hebben de twintigste eeuw nog goed gekend, een eeuw van vele oorlogen, honderden milioenen doden en nog meer gebroken levens. Het lijkt soms wel de eeuw waarin de mens voor zijn medemens echt een wolf is. De filosoof Sartre schreef in de jaren vijftig dat juist de ànder voor ieder van ons de hel betekent: de hel, dat is de ander, want hij/zij beperkt mijn vrijheid! Weer somberheid dus.

 

Uit dat gevecht van mens tot mens, van volk tot volk, van godsdienst met godsdienst en van het ene totalitaire systeem met het andere is via de technologische en digitale revolutie een nieuw liberaal mensbeeld naar voren gekomen: de vlotte, jonge, dynamische mens, die over de hele wereld reist, de mens die zijn loopbaan, zijn leven en zelfontplooiing geheel soeverein ontwerpt: de selfie-mens die doet alsof hij zijn levensgeluk geheel in eigen hand heeft en vindt dat deze visie voor ieder mens geldt; maak wat van jezelf! Chakka ! Weet u nog! En die mens gaat ook nog heel lang leven, want hij is permanent reparabel of vernieuwbaar.

Op de somberheid van de vorige eeuw is er in onze nieuwe eeuw dus weer de reactie; er ontstaat zoiets als een jonge god, de mens die permanent jong en vitaal is of dat zou moeten zijn.

 

Je zou in deze twee historische voorbeelden een pendelbeweging kunnen zien tussen twee uitersten: de visie op de mens als een wezen dat in het zweet zijns aanschijns moet zwoegen , een sterfelijk en tot lijden gedoemd wezen enerzijds en anderzijds de visie op de mens als een wezen dat zijn eigen geluk lijkt te kunnen bewerkstelligen. Nu eens lijkt het het goddelijke onbereikbaar ver, dan weer rijst een beeld op van goddelijkheid als leidend ideaal. Mensen lijken steeds ofwel ongelukkige loosers ofwel stralende godenzonen te zijn.

Ik denk dat in beide gevallen het echte mens-zijn of mens-wording, menselijkheid, met de tweeslachtigheid van het kwetsbare maar ook unieke en kundige in ieder van ons, er bij inschiet. Soms zie je die menselijkheid pas als je lang, echt lang (!) naar een portret of naar een gelaat kunt kijken. Daarover wil ik u hierna een verhaal vertellen.

 

-----------------------------------

 

 

Tekst van Phil.2,5 etc. over kenosis, ontlediging, zichzelf durven opgeven. De apostel Paulus schrijft daar:

 

“Christus, aan God gelijk, heeft zichzelf ontledigd door de gestalte van een dienstknecht aan te nemen en gelijk te worden aan de mensen en is in houding een mens gebleken”.

 

Voor veel christenen is dit een geloofsuitspraak. Ik beschouw deze tekst als een bron van inspiratie om na te denken over menselijkheid.

 

Volgende week vieren we die radicale menswording van deze als God beschouwde Christus. Zoals bij iedere geboorte gaat het bij die menswording om kwestbare kleinheid. Baren en geboren worden is op met moment zèlf bepaald niet lieflijk en licht. Maar ondanks dat en zelfs in contràst daarmee is het pas geboren kind in kerstliederen, in kerkelijke hymnen en in heel de verbeelding rond kerstmis de Grote Redder. Hij wordt als boreling al omgeven door een stralenkrans waarin zijn radicale menselijkheid snel verbleekt. Zelden vind je in de verbeelding rond de geboorte in de kerstnacht iets terug van de oerschreeuw die iedere boreling kent als hij uit de warmte van het veilige moederlijf de buitenwereld in wordt geworpen, waar hij opeens zèlf moet ademen. Hoewel het kerstverhaal over menswording gaat, is het kind eigenlijk meteen al goddelijk.

 

Ik vraag u nu de aandacht te richten op de afbeeldingen die ik heb opgehangen. Een is er van de Duitse kunstenares Käthe Kollwitz. Zij was in haar werk vaak getroffen door de menselijkheid van gewone mensen: arbeiders, zwoegende vrouwen en mannen. Mensen zonder pose. De lijdende Jezus, de Ecce Homo, is van de Fransman Georges Rouault. De derde afbeelding is van een mij onbekende fotograaf. In deze afbeeldingen vind ik iets van een sprakeloze empathie, een stil betroffen zijn door gewone, kwetsbare mensen, die zich niet meer mooier kunnen voordoen dan ze zijn.

 

Die stille betroffenheid tref ik ook aan in de roman Stilte uit 1966 van de Japanse schrijver Shusaku Endo. Ik wil er wat meer over vertellen.Endo was in Japan katholiek opgevoed temidden van de overheersende boeddhistische en shintoistische cultuur. Hij heeft dat als vervreemdend ervaren; in het nationalistische Japan had hij de religie van het Westen.

Na de Tweede wereldoorlog woonde hij een tijd in Frankrijk. Maar ook daar voelde hij zich een vreemde, nù niet als christen maar juist als Japanner. Vanuit een dergelijke vervreemding kunnen schrijvers vragen stellen bij het bewestzijn van veiligheid en meerwaardigheid dat mensen die binnen één cultuur leven vaak hebben, of dat nu een geloofscultuur is of een maatschappelijke. Endo was daardoor zeer gevoelig geworden voor empathie, zich kunnen inleven in een ander mens, voor mededogen.

 

Terug in Japan begon Endo te broeden op de vraag hoe de christelijke en de boeddhistische levensvisie elkaar kunnen bevruchten. Hij richt zich daarbij op de mens, op menselijkheid, op de Christus die ondanks zijn veronderstelde goddelijkheid na zijn geseling voor Pilatus verschijnt als een gewoon, klein en geschonden mens, zichtbaar van vlees en bloed: Ecce Homo, Zie de Mens. En juist in díe visie is Endo onmiskenbaar beïnvloed door het boeddhistische ideaal van compassie, mededogen. Sommigen zeggen dat hij vanuit zijn ervaringen met een streng intellectueel-theologisch mannelijk christendom, dat God kent als Schepper en afstandelijke en machtige Vader, op zoek is naar de warmte en de innerlijke beleving van meer moederlijke religie.

 

In de roman Stilteschrijft Endo over twee Portugese missionarissen, Jezuieten, echte christelijke diehards dus. De twee maken kort na 1600 een lange en gevaarlijke reis per schip naar Japan, in de sporen van hun beroemde voorganger, de grote katholieke missionaris Fransciscus Xaverius. Het was de tijd van de enorme expansie van het europese, in dit geval katholieke en nogal triomfale, christendom. Dat kende en erkende voor alle mensen maar één waarheid, een zelfovertuigd geloof in een van zichzelf

overtuigde cultuur!

Typerend is dat de missionarissen het christelijk geloof natuurlijk in de japanse taal verkondigden, maar voor de christelijke God aan het latijnse woord Deus vasthielden.

 

Er waren in die tijd al veel Japanners tot het christendom bekeerd, vooral uit het gewone volk. Maar de heersende klasse vertrouwde dat vreemde element niet. Het leek niet in de Japanse samenleving te passen, het gedroeg zich te exclusivistisch. Men begon de christenen te vervolgen. Wie Christus niet afzwoer, moest op gruwelijke wijze sterven. De twee priesters konden alleen maar heimelijk aan land gaan en zich in de eenvoudige hutten van de kustbewoners schuil houden voor de japanse politie. De streek waarin het verhaal zich afspeelt is een moerassig land aan een duistere zee, dat Endo schildert in sombere, mistige tinten.

Maar de priesters zijn vooralsnog totaal overtuigd van de juistheid en waarheid van hun missie. Hun Christus is simpelweg de Heerser van de gehele Wereld en moet dus overal gepredikt worden.

 

Evenals in het lijdensverhaal van de jood Jezus worden de paters door een afvallig geworden bekeerling verraden aan de japanse politie. Ze worden gepakt en opgesloten en met hen een aantal japanse boeren onder wie ze gewoond hadden. Deze boeren zullen waarschijnlijk moeten sterven. Na weken van duisternis en slecht eten in een vochtige cel wordt een van de padres, Rodrigo, naar een stad gebracht. Onderweg wordt hij beschimpt door boeddhistische priesters. U merkt misschien de parallel met het lijdensverhaal van Jezus. Rodrigo beseft wat hem te wachten staat. Hij denkt aan het martelaarschap. Om mentaal overeind te blijven bidt hij latijnse psalmen; hij zàl en wìl niet van zijn geloof afvallen! Zijn Christus is hem te lief om hem ooit te verloochenen, ook al kost dat zijn leven. Hij denkt aan de dramatiek van de dood van Christus en stelt zich soms voor dat hijzèlf op een even dramatische manier een echte martelaar zal worden, van wie de mensen dan later zouden kunnen zeggen dat hij een voorbeeldig navolger van Christus, een echte heilige was !!

 

Een van de bewakers raakt met Rodrigo in gesprek. Hij had ooit christelijke theologie gestudeerd, maar kon in 't geheel niet overweg met de religieuze en culturele overmoed van de missionarissen. Moed wordt voor andere mensen soms tot een last, zegt hij. De meeste padres zouden bezeten zijn van deze blinde moed en vergeten dat ze daarmee velen in Japan een dodelijke last bezorgen (p.107).

Rodrigo zit wekenlang in zijn cel naar de muur te staren. Hij vraagt zich keer op keer en steeds wanhopiger af waarom God zwijgt bij het onrecht en het afschuwelijke lijden dat de japanse christenen wordt aangedaan. Die worden vaak op gruwelijke wijze ter dood gebracht. God zwijgt niet alleen, er is een tragische stilte. God verzinkt in absolute stilte.

 

Op een nacht wordt Rodrigo wakker van het gesnurk van een bewaker. Althans, dat denkt hij. Men vertelt hem echter dat het 't gerochel is van japanse christenen, die ondersteboven in een put hangen. Door een sneetje achter hun oor sijpelt het bloed langzaam uit hun lichaam, door de druk kan het niet stollen, de japanners sterven een tergend langzame dood. En hun martelaarschap is, net als de hutten waarin deze mensen woonden, net als de vodden van hun kleding, haveloos en triest; er is niets groots aan, ze verdwijnen gewoon uit de herinnering.

 

 

Rodrigo krijgt te horen dat hij deze japanse christenen van dat gruwelijk lijden en sterven kan redden door op een koperen afbeelding van het gelaat van Christus te trappen, als teken van zijn verloochening van het christelijk geloof.

Vervolgens beschrijft Endo, de auteur van het boek, uitvoerig de innerlijke strijd van Rodrigo. Deze heeft altijd tot Christus gebeden als tot het liefste, mooiste en edelste gelaat. Door grondige opleiding en intensieve meditatie staat dat gelaat in het diepste van zijn ziel gegrift. Christus is de focus van zijn geloof en zijn leven. Maar als hij in dat geloof volhardt moeten anderen, gewone, kleine mensen, sterven. Nu staart dat gelaat van de Man (Christus), versleten en uitgehold door de velen die op Hem getrapt hebben, hem droevig aan.

Ik citeer: “De priester hief zijn voet op. Hij voelde een doffe, zware pijn in die voet. Het was niet louter een formaliteit. Hij zou trappen op wat hij als het mooiste in zijn leven had beschouwd, het allerheiligste waarin hij had geloofd, op degene die het meest beantwoordde aan de idealen en dromen van de mensen....“ .

Op het moment dat Rodrigo alles wat hem lief is opgeeft door Christus te vertrappen spreekt de man op de koperen afbeelding tot hem: “Trap maar. Ik ken de pijn in je voet het allerbeste. Trap maar. Ik ben in deze wereld geboren om door jullie vertrapt te worden. Om jullie pijn te delen...”

De auteur laat dan een haan kraaien !

 

Dat is nogal dramatisch! Pas als Rodrigo uit mededogen voor de gekwelde arme japanse boeren alles opgeeft, een uitgekleed mens wordt en bereid is zijn levensdoel en heel zijn christelijke leefsfeer en cultuur op te geven, spreekt de Christus vanuit de koperen plaat tot hem.

Ik denk dat in deze daad van mededogen er pure menselijkheid zonder enige godsdienstige of ideologische lading doorbreekt. De priester denkt aan de armzalige en onaanzienlijke japanse boeren en is op dat moment even naakt menselijk als zij. Wel heeft hij in de ogen van zijn europese medechristenen alle achting en aanzien verloren.

 

Het verhaal van Endo is stevige kost, zo vlak voor de naderende kerst. Endo drijft het nadenken over mens-wording en menselijkheid stevig op de spits. God zwijgt ! En van het lieflijke goddelijke kind en met name van de goedgebouwde middeleuropese man Jezus Christus met het edele gelaat blijft weinig over. Juist de vervreemding die Endo moest ervaren als christen in japan en als Japanner in het christelijke Europa bracht hem tot het inzicht dat pure menselijkheid alleen kan verschijnen als alle veilige en zekerheid biedende visies en levenshoudingen die mensen hebben opgebouwd weer worden afgebroken, als alle gepraat over religieuze of culturele identiteit wordt gerelativeerd, als al onze rationalisaties en verdedigingsmechanismen worden onderkend.

 

Misschien meende de apostel Paulus zoiets, toen hij schreef over de radicale menswording van God, de geboorte van het kind, dat in de eeuwen daarna met allerlei verhalen en wonderen is opgetuigd tot een lieflijk tafereel. Misschien beschrijft Endo in de afvallige trap van de priester Rodrigo op het koperen gelaat dat iedere hang naar theologie en religieuze beeldvorming door het zwijgen van God en in alle stilte verstomt tegenover menselijkheid, empathie en mededogen.

 

Onlangs vond ik in het dagblad Trouw een prachtige spreuk over stilte:

“Stilte is niet afwezigheid van geluid, maar het begin van luisteren naar andere mensen en dingen”. Als u wel eens een enkele keer om u heen pure stilte hebt meegemaakt, heeft u misschien ook ervaren dat u dan toch altijd iets hoort, al is het maar uw eigen hartslag en het suizen van uw bloedsomloop. Dat is behoorlijk bedreigend, soms zelfs beangstigend ! Een mens wordt dan totaal op zichzelf en op zijn lijfelijk bestaan terug geworpen.

Maar het kan het begin zijn van het horen en zien van andere mensen en dingen, of eigenlijk van mensen en dingen anders, op een andere manier. Misschien heeft dat wel iets met geboorte te maken.

 

Ik sluit af met een ingrijpende herinnering uit mijn contact met geestelijk verzorgenden, in dit geval in inrichtingen van Justitie. Gevangenen hebben vaak de neiging zich steviger, stoerder en ongenaakbaarder voor te doen dan ze wellicht zijn. Ze rationaliseren en relativeren hun delict nogal eens met verwijzingen naar de maatschappij; daar zou immers ook niet alles in orde zijn.

Een humanistische raadsvrouw bij Justitie vertelde me eens dat ze soms, na intense gesprekken, dwars door alle stoerdoenerij en afweer, door ieder pantser en iedere goedpraterij heen in een delinquent een kwestbare en sensibele mens te zien kreeg... en daardoor misschien een ontroerend mooie mens. Soms... even... Het zijn ogenblikken, niemand heeft ze in bezit. Even... in een flits... durven vermoeden hoe mooi een mens kan zijn als hij of zij kwetsbaar en diep menselijk is, als hij of zij zo naakt is als bij de geboorte.

 

Slotwens:

 

Ik wens u een goede weg naar het kerstfeest toe, met af en toe een moment van bezinning, van stilte. In de katholieke eredienst zingt men: Rorate coeli desuper, “Dauwt hemelen van boven en wolken plengt gerechtigheid...” Eigenlijk is het gewoon een andere, wat meer poëtische versie van waarmee we deze bijeenkomst begonnen zijn: ”Kom tot ons eeuwige in de tijd”, al is het maar voor een moment van menselijkheid.