Denken en doen

Het is een bekend verhaal wat ik zojuist heb voorgelezen, maar de interpretatie ervan is niet zo eenvoudig en daar zijn goede redenen voor. Allereerst doet het wat vreemd aan dat in een gebied waar de gastvrijheid uiterst serieus genomen wordt, degenen die de gast verzorgt kritische opmerkingen daarover te horen krijgt. Hoe hoog de gastvrijheid in aanzien staat, blijkt bijvoorbeeld uit de wijze waarop Abraham drie mannen ontvangt. Wees zo goed uw dienaar niet voorbij te gaan, ik zal water halen voor uw voeten en iets te eten brengen. Sara krijgt opdracht brood te brengen en een knecht om een kalf te slachten. Kom daar hier eens om. Ook in de huidige tijd zijn in die landen gasten onschendbaar. En dan wordt in het Lucasverhaal gezegd dat degene die geen hand uitsteekt, geprezen wordt omdat zij oog heeft voor het enig noodzakelijke en dat de bezige zij zich veel te druk maakt.

Dat kan niet aan de relatie tot Martha gelegen hebben. Jezus spreekt Marta aan met Marta, Marta. Dat tweevoud wijst er in de Joodse traditie op dat er iets belangrijks gezegd gaat worden tegen een geliefd persoon. Dat laatste blijkt namelijk uit het feit Martha met haar naam wordt aangesproken. Ik heb het niet uitvoerig gecheckt maar er zijn geen, of voorzichtiger gesteld, heel weinig situaties waarin Jezus anderen met hun eigennaam aanspreekt. Wel geeft Jezus Simon Bar Jona de nieuwe naam Petrus. En dat deed me denken aan dat korte gedicht van Neeltje Maria Min. Mijn moeder is mijn naam vergeten, mijn kind weet nog niet hoe ik heet. Hoe moet ik mij geborgen weten? Noem mij, bevestig mijn bestaan, laat mijn naam zijn als een keten. Noem mij, noem mij, spreek mij aan, o noem mij bij mijn diepste naam. Voor wie ik liefheb, wil ik heten. Misschien mag men zeggen dat Jezus door haar zo aan te spreken uitdrukkelijk haar bestaan bevestigt, zodat zij zich geborgen kan weten. Dat trekt het gebeuren uit de sfeer van verwijt.

Wat moeten exegeten met dit verhaal. Op voorhand gingen zij ervan uit dat het wat het laatst gezag wordt niet echt waar kon zijn. Augustinus bijvoorbeeld: “Hoe nu, moeten wij aannemen dat het werk van Martha afgekeurd werd terwijl zij zich toch bezig hield met de plichten der gastvrijheid terwijl zij de Heer zelf gastvrij had opgenomen. Hoe kon zij met recht berispt worden, die zich verheugde over zulk een gast. Als dat verwijt juist is, laten de mensen dan maar ophouden de behoeftigen te steunen, laten zij dan maar het beste deel verkiezen, dat hun niet ontnomen zal worden, slechts oor hebben voor het woord Gods…laten zij er zich dan maar niet om bekommeren of er in hun omgeving een vreemdeling is, of iemand bezocht moet worden of vrijgekocht of begraven”. Nou nee, zullen zijn toehoorders gezegd hebben maar wat dan. En of zij helemaal tevreden geweest zijn met de uitleg weet ik ook niet zeker. Die luidt: de twee vrouwen staan voor twee soorten leven, Martha voor het aardse hier en nu, Maria het leven waarop wij hopen, het eeuwig leven namelijk. Maar dat is nu nog niet aan de orde.

Elf eeuwen later ging de beroemde en als mysticus uiteraard verdachte Meister Eckhardt ook op de zaak in. Hij koos duidelijk voor Martha, die volgens hem bang was dat haar zuster in zoetheid en behaaglijkheid zou blijven steken. Dat is wel goed herkenbaar. We kennen allemaal wel mensen die aan rustig bidden de voorkeur geven boven het soms onaangename werk van concrete hulpverlening. De pastoor – laten we het in deze kring maar op een pastoor houden – mag bij het breviergebed niet gestoord worden.

Er is ook een moderne feministische interpretatie. Lucas, een man natuurlijk, zou met dit verhaal hebben willen zeggen dat de vrouw het beste er aan doet te zwijgen. Er valt voor hen immers nog veel te leren. Dat begrijp ik niet zo goed want juist feministen hebben er bezwaar tegen dat de huiselijke arbeid vooral op vrouwen neerkomt. Maar als we het over de bedoeling van Lucas met het verhaal hebben, lijkt het me waarschijnlijker dat hij hier een reeds bestaand conflict binnen gemeentes aan de orde stelt. In de Handelingen der Apostelen waarvan hij ook de auteur is, vermeldt hij namelijk zo’n belangrijk – en herkenbaar – conflict. Griekstaligen waren ontevreden en verweten de Aramees sprekenden dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld. Toen riepen de twaalf apostelen de voltallige gemeenschap bijeen en stelden diakens aan zodat zijzelf zich konden wijden aan de verkondiging en aan het gebed. Binnen de kerkelijke gemeenschappen is er nu een officiële taakverdeling maar dat loopt niet altijd soepel. Zo moest in de jaren zeventig een driekoppige commissie van goede diensten proberen iets te doen aan de totaal verstoorde verhoudingen binnen een toen zogeheten kritische gemeente in Amsterdam. Sommige voorgangers wilden zich beperken tot liturgie, anderen vonden pastorale begeleiding en hulpverlening van mensen in problemen ook belangrijk. Een heldere taakverdeling leek de oplossing maar zo eenvoudig bleek niet te realiseren. Men stond lijnrecht tegenover elkaar.

In de hele geschiedenis van het kloosterwezen heeft die spanning tussen wat daarin genoemd werd actie en contemplatie altijd een rol gespeeld. Vanouds waren er contemplatieve kloosters met het gebed als het werk Gods; daarin werd gebeden voor de hele wereld en niet alleen voor het eigen heil; dat gebed was als het ware plaatsvervangend. Er was wel handenarbeid, veel zelfs, maar dat was toch iets anders dan wat men diaconie en pastoraal zou noemen. Rond de 12e eeuw echter kwamen de bedelorden op, die gericht waren op de prediking in toen woelige tijden van opkomst der steden, massale armoede en ketterijen. Die moesten naar de mensen toe terwijl ze in de abdijen aan de deur kwamen. Het georganiseerde, liturgische koorgebed schoot er dan bij in. Dat moest aangepast worden aan de eisen van het werk. Daar is alle eeuwen lang over gediscussieerd, namelijk over een redelijke verhouding tussen de contemplatie die altijd belangrijk is gevonden en de actie voor het concrete heil van de medemensen.

En dat thema is in de huidige fase van de moderniteit weer volop actueel geworden, zij het in seculiere vorm. Het activisme, waarbij geen einddoel wordt geformuleerd omdat wij altijd moeten werken aan het om zo te zeggen oneindige proces van verbetering is onder kritiek gekomen als op zijn minst een ongezonde eenzijdigheid. Een vakgenoot schreef dat hem de niet aflatende gedrevenheid, het cesuur loze en rusteloze van de cultuur opviel en dat “het legato van de voorkapitalistische wereld radicaal is ingeruild voor het driftige staccato van een op productie gerichte maatschappij”. Men dien te systematisch momenten van bezinning in te bouwen. Stilteplaatsen te bezoeken, activiteiten en bezinning en rust met elkaar in evenwicht te brengen. Daarbij moet bedacht worden – en dat kunnen we ook ontlenen aan het verhaal – dat de luisterende Maria daar kan zitten omdat Martha het werk doet, maar ook dat de bezige Martha moet kunnen luisteren om te horen wat werkelijk nodig is. Men kan de zorg immers ook overdrijven.

Luisterend naar een TV-preek hoorde ik een aardig beeld. Een jongen gaat met zijn vader vissen in een roeiboot, die eerst naar het visgebied geroeid moet worden. De vader gebruikt een van beide riemen en na een tijdje zegt zoon, pa, we varen in een cirkel omdat u met één riem roeit. Zo komen we er niet. Helemaal goed, zegt Pa met een moderne zegswijze. Je hebt twee riemen nodig, doen en nadenken over wat we eigenlijk doen is altijd verstandig.

Maar waar moet dat nadenken, de bezinning, dan betrekking op hebben. En waaraan oriënteren we ons daarbij. Ik wantrouw bijvoorbeeld acties van bedrijven die hun personeel op bezinningsweekenden trakteren want vaak staan die in dienst van een hogere productiviteit. Zo gezien zou men zich bij het nadenken ook kunnen bezighouden met de vraag waarmee men eigenlijk bezig is, met het product en de behoefte daaraan, of nadenken over het kader waarin die productiviteit ligt ingebed. Of de directie daar ook zo voor is, waag ik wel enigszins te betwijfelen. Ook los van de arbeidssituatie waarin men verkeert, is het wenselijk zich met enige regelmatigheid af te vragen, of het leven dat men leidt wel is zoals het misschien zou kunnen of moeten zijn. Ook al is men onmachtig daaraan iets te doen, ingesponnen als men kan zijn in omstandigheden waaruit men niet zomaar kan weglopen.

Maar in religieuze zin ligt het voor de hand tijd te reserveren voor vragen die de zin van ons bestaan betreffen zoals bijvoorbeeld de eerste vraag van de traditionele katholieke catechismus: waartoe zijn wij op aarde? De evolutie van de antwoorden daarop laat ik buiten beschouwing: de vraag blijft belangrijk: wat doe ik hier eigenlijk? Louter toeval of met een bedoeling? En wat zou ik eigenlijk moeten doen. Dat is lastiger dan abstract praten over het godsbestaan of over het godsbeeld waar men het toch niet over eens wordt. Er is een verhaal uit het vroeg middeleeuwse Engeland, opgetekend door Beda de eerbiedwaardige. Een vogeltje komt van buiten, vliegt even rond en verdwijnt weer uit de zaal waarvorsten vergaderen over de vraag of zij een christenprediker moeten toelaten. Een van de vorsten zegt, wij weten van dat vogeltje niet vanwaar het komt noch waar het heengaat. Zo is het ook bij ons mensen. Is dat dan geen reden eens naar zo´n man te luisteren. En misschien, in het verlengde daar weer van, heeft dat waarde, ook voor mij, in het licht van wat wij dan maar eeuwigheid noemen. Petrus zegt in zijn brief dat wij voorbijgangers zijn maar die wist van een vaderhuis, wat in onze tijd een algemeen betwijfeld begrip is. Een voorbijganger, toevallig aanwezig, waarvan de naam niet meer herinnerd wordt en ook nergens meer te vinden is zoals op heel oude kerkhoven blijkt uit de door ouderdom anoniem geworden kruisen. Misschien komt dan bij sommigen een tekst van Jesaja in herinnering. Dit zegt de Heer: Kan een moeder haar kind vergeten, en zelfs al zou zij het vergeten, ik vergeet u nooit want ik heb u geschreven in de palm van mijn hand. Zegt ons dat iets? En indien niet, wat betekent dat dan? Aan thema’s voor die bezinning ontbreekt het niet, aan tijd, vrees ik, helaas wel. En misschien is er ook de angst zichzelf tegen te komen.