En als er geen hiernamaals is

Het kan vreemd lopen bij een preekvoorbereiding. Ik koos voor het thema rijkdom, waarover heel wat te doen is, zowel over het hebben als het niet-hebben en ik keek in de bijbel. Die vindt rijkdom op zich niet verkeerd maar rijkdom wordt wel met talloze voorbehouden en waarschuwingen omgeven; vooral de zucht naar rijkdom moet het ontgelden. Ook wordt tekeer gegaan tegen zelfzuchtige en arrogante rijken. Dat weten we wel. Opvallend was echter het ver­schil tussen het Oude en het Nieu­we Testament bij dit thema. Nu zijn er wel meer diepgaande verschillen tus­sen beide testamen­ten. In het Oude Testament is de Heer een nogal wraakzuchtige oorlogsgod die bloederigheid niet schuwt en in het Nieuwe Testament is daar niets van te bespeuren. Maar dat vinden we een kwestie van geleidelijke om­vorming van het godsbeeld in een veranderende beschaving. Hier gaat het om iets anders. En dat leidt tot geheel andere vragen.

 

In het Oude Testament waren de aartsvaders rijk, ook Salomon en Job. De laatste raakte wel alles kwijt maar kreeg na zijn beproeving nog meer terug. En in alle gevallen wordt gezegd dat Jahweh dat geschonken heeft. De Heer geeft materiële rijkdom, vee en andere bezittingen, paleizen enzovoort. Dat wordt ook gezegd. “Roem en rijkdom zijn van u afkomstig, u heerst over alles. In uw hand liggen macht en kracht besloten, u beslist wie groot en machtig is ( 1Kron 29,12); zelfs in Spreuken, dat bol staat van waarschuwingen staat: Wie bescheiden is en ontzag heeft voor de Heer, wordt beloond met rijkdom, eer en een lang leven.

 

In het Nieuwe Testament schenkt de heer geen materiële rijkdom. Wel spirituele; de rijkdom van allesomvattend inzicht, de rijkdom van het woord Gods, de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus. Materieel rijken komen er in het NT voornamelijk slecht van af. Verkoop alles, nauwe oog van de naald, uw rijkdom is verrot, rijkdom verstikt het zaad van het woord Gods.

 

Dit verschil is opmerkelijk, geeft te denken en vraagt een verklaring. Ik denk wel dat die er is, maar als die juist is, heeft die verregaande consequenties met betrekking tot de visie op leven en dood en wat daarna nog zou kunnen komen. Dat is een fundamenteel probleem van het chris­telijk geloof dat zeer ter discussie staat en waarover geen beslissend standpunt mogelijk is. Maar een bezinning er op is wel op haar plaats.

Een poging tot verklaring begint precies met het inzicht dat het Oude Testament geen hierna­maals ken­t. Het weet van een dodenrijk maar daaruit klinkt geen lofprijzing aan God op. “Want do­den noemen uw naam niet meer! Wie in het dodenrijk kan u nog loven? (ps. 6,6); Doe wat je hand te doen vindt. Doe het met volle inzet, want er zijn geen daden en gedachten, geen kennis en geen wijsheid in het dodenrijk Daar ben je altijd naar op weg (Pred.). Zij die in het graf zijn afgedaald verlaten zich niet op uw trouw.

Er waren wel teksten in de psalmen die leken te wijzen op een verlangen om door Jahweh uit het dodenrijk bevrijd te worden maar die waren schaars in vergelijking met de andere en doorbreken de algemene teneur niet. Na de dood was er geen toekomst.

 

De consequentie daarvan was dat het geluk in deze wereld gevonden moest worden. Dat geluk was niet alleen materieel; de zekerheid te wonen in het huis van de Heer hoorde er bij, Hem trouw te zijn, de geboden te onderhouden. Dat geeft rust en zelfvertrouwen. Maar los van rijkdom was het toch niet. De vromen en rechtvaardigen worden ruim met rijke gaven beloond, zoals Job uit­eindelijk weer om zijn trouw beloond werd. Want waar anders dan in deze wereld moest die beloning dan wel genoten worden. Dat dit niet altijd, misschien zelf wel heel vaak niet gebeurde, werd later wel als een probleem ervaren. Door prediker bijvoorbeeld. Hij trekt radicale conclusies terwijl bij Job de teruggave van de rijkdom toch een beetje een dooddoener lijkt. In die oplos­sing geloofde Prediker niet; daar was hij te sceptisch voor. Daarom gaf hij een voor de hand liggend advies. “Eet je brood met plezier en drink opgewekt je wijn, geniet van het leven met je vrouw; dat is alles wat je krijgt voor al je werken en tobben onder de zon want in de onderwereld is het afgelopen met denken en doen, met kennis en wijsheid”. Dat is de Bijbelse versie van “Pluk de dag want het is over en sluiten voor je het weet”.

 

In het Nieuwe Testament ligt de beloning in het Rijk der Hemelen. Wat daaronder nu precies verstaan moet worden laat ik maar even liggen maar het wordt in ieder geval verbonden met opstanding, niet in de zin van je rug rechten, maar met opstanding uit de dood, met een nieuw begin na de dood. Enige voorstelling hebben we daar niet van natuurlijk maar er zijn nogal wat teksten daarover en het is m.i. erg moeilijk die zo uit te leggen dat ze niets met opstanding te maken hebben, hoewel dat naar mijn indruk wel geprobeerd wordt. Maar eerder wordt er over gezwegen. Het wordt tegenwoordig immers een onmogelijkheid gevonden.

 

Christenen hebben er wel eeuwenlang in geloofd, in ieder geval tot in onze rationeel geachte tijd waarin niet alleen het ‘dood is dood’ nogal eens te horen valt maar ook de twijfels breed aanwezig zijn. Dat laatste is begrijpelijk want zekerheid is er niet, evenmin als over het bestaan van God. Wel kan men de zaken openhouden en in een breder verband plaatsen dan alleen dat van het persoonlijk heil. Daarmee bedoel ik het volgende. Wat betekent het voor onze visie op de wereld en haar geschie­denis als we leven na de dood radicaal uitsluiten. Ik zeg opnieuw dat hoe dat onderzoek ook uitvalt, er geen enkele bewijskracht voor een ‘voor’ of ‘tegen het geloof in een hiernamaals aan ontleend kan worden. Maar het kan wel tot vragen leiden die we onszelf en anderen kunnen stellen. Existentiële en misschien ook riskante vragen.

Vooraf moet gezegd worden dat er van het geloof in een leven na de dood schromelijk misbruik is gemaakt. Het bleek al te gemakkelijk de armen naar de troost in het hiernamaals te verwijzen om niets aan de sociale verhoudingen te hoeven veranderen. Zelfs werd in het voetspoor van Calvijn de conclusie getrokken dat de rijkdom die men verkreeg met hard werken en sober leven, als een teken van uitverkiezing kon worden opgevat met de consequentie dat dit voor de armen, heel spijtig, dus niet zo was. Dat vele armen in feite daar toch troost aan ontleenden die zij van hun medechristenen niet kregen, is daarvoor geen enkel excuus.

 

Toen men dat ging inzien, groeide ook het besef dat het nodig zou zijn de nadruk van het hiernamaals naar het hiernamaals te verleggen. Bij Bonhoeffer gaan die twee goed samen, bij het Humanistisch Verbond lijken ze elkaar uit te sluiten als ik hun radiospotjes goed interpreteer. Maar de inzet voor een betere wereld is in een humane samenleving plicht al is het vaak moeilijk te zeggen hoe dat effectief vorm kan worden gegeven. Daaraan wordt in vele morele aansporingen al te gemakkelijk voorbij gegaan.

 

We moeten echter ook erkennen dat in de loop van de geschiedenis zeer veel christen zich daar intens voor hebben ingezet maar ook dat dit maar heel weinig veranderd heeft aan de gang van zaken waarin sommigen het goed hebben en er zeer grote aantallen gecrepeerd zijn, nu creperen en in de toekomst ongetwijfeld nog creperen zullen. De vraag is dan welke betekenis we daaraan geven. Daar is natuurlijk in de loop der eeuwen ook over nagedacht en zeker nu ons meer bekend is geworden van de situatie in de wereld waaraan we ook dagelijks herinnerd worden. Wij kunnen daar de ogen niet voor sluiten.

 

De grote godsdienststichters hebben er een religieuze betekenis aan gegeven, vergelding, kar­ma, reïncarnatie. Sommige seculiere denkers hebben die massa’s beschouwd als mest op de ak­ker van de geschiedenis waarop een schone toekomst opbloeit. Daar schreef de jood­se filosoof, Walter Benjamin die in 1940 en eind aan zijn leven maakte, minder afstandelijk en zakelijk over. Hij beschrijft een schilderij van Paul Klee waarop een engel is afgebeeld. “Zijn ogen zijn opengesperd, zijn mond staat open en zijn vleugels zijn gespannen. Hij heeft zijn gelaat naar het verleden gewend. Hij ziet een en al catastrofe die puinhoop op puinhoop stapelt. Hij zou daar willen verwijlen, de doden tot leven brengen en de verscheurden helen. Maar een storm giert vanuit het ‘Paradijs’ die zo sterk is dat hij zijn vleugels niet meer sluiten kan. Hij wordt ruggelings de toekomst ingeblazen terwijl voor hem de puinhopen tot aan de hemel groeien. Die storm is de ‘vooruitgang’”. Een andere jood en beroemd schrijver, Alfred Döblin, trok een andere conclusie: “omdat deze wereld niet rechtvaardig is, moet er nog een andere zijn”.

 

Dat is geen bewijs en daarom gaat het ook niet. Wel volgen er vragen uit. Als er geen hierna­maals is, is er dan verschil tussen seculiere oproepen zich in te zetten voor een betere wereld en christelijke oproepen mee te bouwen aan de ves­tiging van het Rijk Gods op aarde. Is dat Rijk alleen maar een betere wereld, of zijn er toch relevante verschillen? Welke dan? Waar­om willen we dan, tegen de ontwikkelingen in, geloofsgemeenschappen in stand houden. Maken die werkelijk verschil? En wat te denken van al die mensen op de puinhopen van de geschie­denis. Zijn ze inderdaad afgeschreven? Leefden ze alleen maar in de verkeerde tijd en/of op de verkeerde plaats? Trokken zij in het kansspel dat de wereld dan is, het verkeerde lot?

 

En: moeten we dan uit de bijbel blijven lezen over De ene, de Rechtvaardige, die er altijd zal zijn, die de ellende van zijn volk heeft gezien. Is dat nog wel eerlijk als we toch al be­sloten hebben dat dood gewoon dood is en weinig meer kunnen zeggen dan dat het in de verre toekomst misschien beter zal zijn. Als dat zo zou zijn kunnen we beter het advies van Prediker volgen. Dan zijn we terug in het Oude Testament en moeten we uit dit leven alles halen wat er in zit. Maar je moet dan wel je ogen sluiten voor de geschiedenis en de huidige toestand in de wereld.