Heeft het leven een perspectief van uiteindelijke vervulling?

In de oudchristelijke viering van de Paaswake werden er 12 vaak lange teksten uit het Oude Tes­tament gelezen. Begin van de jaren vijftig werd dat aantal ingekrompen. Er werd een keuzelijst geboden waaruit er minstens drie gekozen moesten worden. Meer was klaarblijkelijk niet meer te verstouwen, zeker voor moderne mensen niet die aan beeld­taal en snelle oneliners gewend zijn geraakt. Ondanks de keuzemogelijkheden kwamen er twee lezingen altijd terug, Het ene was het verhaal van de Uittocht uit Egypte in de Paasnacht waarin een lam geslacht wordt en het bloed ervan aan de dorpels van de huizen wordt gestre­ken. Ter be­scherming, zal blij­ken. Want het gaat er het hard aan toe, die nacht. In elk Egyptisch gezin sterft de eerstgebo­rene, niet alleen mensen maar ook onder het vee. De verschrikke­lijke Jahweh laat niet met zich spotten: de onderdrukkers worden geoordeeld. Zij ondervinden aan den lijve wat machte­loosheid betekent.

 

Wij weten hoe het verder ging. Tocht door de woestijn met de vervulling van een belofte in het vooruitzicht. Herhaaldelijk gekanker onderweg.. Ze willen alsmaar terug naar de vleespotten van Egypte, want ondanks de onderdrukking leefden ze rustig en betrek­kelijk veilig. Dat is heel her­kenbaar. Dat argument valt ook in de huidige tijd nog steeds te beluisteren. Als mensen in opstand komen is er altijd onzekerheid, want wat het worden zal staat geenszins vast; woorden over een vrije en betere toekomst zijn mooi en verleidelijk maar voorlopig slechts woorden. Dit jaar precies een halve eeuw geleden, sprak ik in het Escoriaal in Spanje, het enorme paleis van Philips II waar­in toen een klooster gevestigd was, met een oude pater. Je kon misschien wel kritiek hebben, zei hij, maar Franco had toch al twintig jaar vrede en rust mooi weten te handhaven.  

 

Jahweh had echter Zijn geduld met het uitverkoren volk verloren. Die chagrijnige generatie moest van het toneel verdwijnen voor zijn volk het land van belofte kon binnengaan. Dat duurde nog 38 jaar. Hun kinderen konden het land wel binnengaan. Zelfs Mozes had een keer getwijfeld en dus mocht hij het land alleen maar zien vanaf een berg. Een halve vervulling. Daar werd hem overi­gens veel mee bespaard. Want ook in dat land bleef het volk hardleers. Er kwam geen samenle­ving zoals Jahweh bedoeld had en waartoe Hij zijn wet had gegeven. Een samenleving van vrede en rust maar ook van gerechtig­heid, zorg voor elkaar, aandacht voor hen die bui­ten de boot vallen en voor de vreemdelingen van elders die vrijheid en een beetje gerechtigheid hopen te vinden. Dat hadden ze toch vanuit hun geschie­denis moeten be­grij­­pen. Ook dat is herkenbaar want leren uit de eigen geschiedenis is altijd moeilijk geweest. Het is er tegenwoordig zelfs niet gemakkelijker op gewor­den. Ons perspectief is verkort, wij leren zelden van het verleden.  

 

Zij hielden zich niet aan de wet. Wie zich verdiept in de profeten van die tijd, degenen die namens God spreken, ziet dat hun kritiek zeker geen detailkritiek is. Dat maken een paar citaten wel duide­lijk. “Het is een en al meineed en bedrog, niets dan moord, diefstal en over­spel; het ene bloedbad volgt op het andere […] Dat handelsvolk heeft altijd een valse weeg­schaal bij de hand, het is ver­zot op afzetterij. Hoor Efraim zeggen: ‘Maar ik ben toch rijk geworden? Heb ik mij geen aanzien verworven? Wijst mijn winst soms op iets kwalijks dat de naam van zonde verdient? Jullie verach­ten hen die in de poort het recht verdedigen, jul­lie verafschuwen hen die de waarheid spreken […] jullie keren je tegen de onschuldigen, jullie ont­vangen steekpenningen, jullie ontne­men de armen in de poort hun recht. Wees allen op je hoede voor je vrienden, verlaat je niet op je broers. Elke broer bedriegt als Jacob , elke vriend strooit lasterpraat rond. De een bedriegt de ander, de waar­heid spreken ze niet. Hun tong is afge­richt op liegen, ze kunnen niet anders meer. Haar leiders zijn brullende leeuwen, haar rechters wolven in de avond, die s’ochtends niets meer te kluiven hebben. Haar profeten zijn gewetenloze bedriegers, haar priesters ontwijden wat heilig is en doen de wet geweld aan. Ze verklaren de wond van mijn volk lichtvaardig voor genezen, ze zeg­gen: ‘alles gaat naar wens’. Nee, niets gaat naar wens! Schamen zij zich voor hun wanda­den? Integendeel, zij we­ten niet wat schaamte is” “Wee degenen die het kwaad goed noe­men en het goede kwaad, die het licht tot duisternis maken en het duister tot licht, die van zoet bitter maken en van bitter zoet”. Het is nogal krachtig aangezet maar het laat aan duidelijkheid weinig te wensen.

 

En dan is er dat tweede verhaal, een tekst uit de profeet Ezechiël die in een visioen wordt gevoerd naar een knekelveld waar hij moet profeteren. “Dorre beenderen, hoort het woord des Heren. Dit zegt de Heer uw God. Zie ik zal een geest over u zenden en gij zult leven”. En toen zij bekleed waren met vlees, sprak de Heer tot de geest, blaas over deze verslagenen die zeggen, ver­dord zijn onze beenderen, vergaan is onze hoop.” Het volk is moedeloos geworden. 

 

Dit thema komt indirect terug in een wonderverhaal bij Johannes. In een badhuis met vijf zuilen ligt een mens die al 38 jaar verlamd is en niemand heeft om in het water te gaan als een engel des Heren dat in beweging brengt. Die 38 heb ik net genoemd; het getal slaat op de jaren in de woes­tijn na de veroordeling van die betrokken generatie. Die vijf zuilen staan voor de vijf boe­ken van Mozes die aangeven wat omstanders wel zouden moeten doen. Maar iedereen denkt het eerst aan zichzelf. Dat is in Jezus tijd nog steeds de situatie van het volk. En de lamme zit daar als duidelij­ke representant ban het volk: verslagen, verlamd, ver­gane hoop. Het zal wel nooit beter worden.  

 

Het is heel begrijpelijk dat deze twee lezingen expliciet in de liturgie in verband worden gebracht met Pasen, wat toch het feest der opstanding genoemd wordt. De eer­ste tekst heeft expliciet een rol gespeeld in de jaren zestig toen predikers graag teruggrepen op de voor de bijbel centrale idee van de uittocht, uittocht uit het slaven­land, weg uit de tirannie van ´het systeem’ dat winst en rijk­dom hoog in het vaandel had (en nog heeft). Op weg naar een wereld waarin ein­delijk gerechtig­heid gebeurt. En die nieuwe wereld zou­den wij gaan maken, zo zei een spreker op het Museum­plein in 1981 tegen degenen die te­gen de kernwapens protesteerden. Maar zij hadden geen succes en van de bevrijding uit het systeem is ook niet veel gekomen. De uittocht kwam ge­leidelijk neer op individuele eman­ci­patie en individuele vrijheid.. Die hebben natuurlijk mooie kanten; Maar toen Jahweh beloofde “het zal u goed gaan in het land van belofte” had dat wel betrekking op het volk als geheel waar­in de zwakken hun plaats kregen en bescherming tegen de ongunst der tij­den.  

 

Wat ook nu regelmatig valt te beluisteren is, dat veel mensen zich machteloos voelen tegenover ‘het sys­teem’. Velen zijn op zichzelf aangewezen want degenen die zich voor andere inzetten worden door de aanzwellende stroom overbelast. En werkelijk perspectief op verandering in de richting van ge­rechtigheid, relativering van winst en bezit, vreedzame tolerantie voor mensen die anders zijn, collectieve verantwoordelijkheid voor welzijn, eerder dan welvaart is er veel te wei­nig. En die gevoelens van machteloosheid zijn dan ook heel begrijpelijk.

 

 

In die situatie vieren we steeds opnieuw het feest van de opstanding. Maar wat wordt daarmee dan be­doeld? Het klassieke antwoord is een beetje moeilijk komen te liggen. Het vraagt veel van mo­derne mensen die niet meer in staat zijn te geloven in zaken die boven deze wereld uit­gaan. Wie de inhoud van de theologische en geloofsdiscussies – dat is niet hetzelfde – van de laat­ste decen­nia een beetje heeft gevolgd, weet dat er geprobeerd is zich op een thema terug te trek­ken dat op zich nog problematisch genoeg is maar toch binnen het bereik van de menselijke voor­stel­lings­we­reld valt. Wij worden opgeroepen steeds opnieuw te beginnen, op te staan uit onze mach­teloos­heid. Wat Jezus zei tegen de lamme: neem uw bed op en wandel. Pak de koe weer bij de horens.

  

Inderdaad, het is hard nodig dat wij wakker wor­den. De hoop hoeft niet vergaan te zijn. Maar als wij dat doen, leert de geschie­denis ons ook dat het resultaat het nooit haalt of gehaald heeft bij dat wat verhoopt werd. Uit historische teksten blijkt dat er al langer dan drie millen­nia gesproken wordt over en verlangd naar vrede en gerech­tigheid en we moeten het doen met stukjes en beetjes. Dat is heel wat maar het blijft toch ver van het ideaal van het verkon­digde Rijk Gods.

  

Er zijn altijd mensen geweest die ondanks dat zij wisten het ideaal nooit te bereiken toch niet ver­saagd hebben. Ook degenen geen enkel religieus perspectief hebben maar toch in een betere toe­komst geloven kunnen zich tot het uiterste inzetten en kunnen veel christenen zelfs tot voorbeeld zijn. Roland Holst zei het zo: “Ik zal de halmen niet meer zien, noch binden ooit de volle schoven, maar doe mij in den oogst geloven waarvoor ik dien”. Hij zei ‘geloven’, niet ‘weten’; de onzeker­heid stond de hoop niet in de weg’. Dat is een moedige levenshouding.

 

 

Maar hoe waardevol deze inzet ook is, Er blijft een fundamenteel probleem. Als het geloof in de toekomst ’binnenwerelds’ blijft, wat moeten we dan denken van de tallozen die langs de kant van de weg der historie vermorzeld zijn en vergeten. Zijn zij de mest op de akker van de geschiedenis waaruit het goede geboren zal worden? En moeten we echt geloven dat het heil al­leen is wegge­legd voor generaties in de verre toekomst? Dan is de wereld een casino waarin som­migen geluk en anderen ongeluk hebben.

 

 

Hier ligt de centrale vraag van Pasen. Die luidt niet of het graf nu wel of niet leeg was. Het is de vraag of het leven een perspectief heeft van uiteindelijke vervulling, over de hori­zon van deze we­reld heen. Een antwoord daarop staat in de Apocalyps. Nadat alle doden zijn opgeroepen staat er: “Ik hoorde een stem die uitriep: Hij zal alle tranen wegwissen uit hun ogen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij”. Is het zo onge­rijmd of vreemd om aan dat verlangen vast te houden en te hopen op de uiteindelijke voltooiing van wat wij tot stand proberen te brengen? Als dat niet zo zou zijn kunnen we dan van een God van gerechtigheid spreken? Is de wereld dan niet een puinhoop waarin vrijwel alles afhangt van de plaats en tijd van geboorte, van het lot. Pasen biedt ons het bemoedigende perspectief dat dat niet zo is. Ik wens u dan ook een goed paasfeest.