Vindplaatsen van God

Eind jaren veertig promoveerde een pater karmeliet op het proefschrift met de titel: het na­tuur­lijk verlangen. Waarnaar of naar wie? Naar God. Het veronderstelde ver­langen moest als bewijs voor het bestaan van God gelden. Dat valt theoretisch niet vol te houden.

 

Maar historisch is het idee van een natuurlijk godsverlangen niet eens zo vreemd. Grote de­len van de wereldbevolking hebben aan goden gedacht, ernaar verlangd, ze vereerd, er re­kening mee gehouden in hun gedrag. Te­gen­woordig denkt men minder aan God, zeker niet in het meervoud en men weet ook niet goed wat dat zou moeten zijn: iets, een kracht, een mysterie. En er zijn nog steeds plaatsen waar men God of iets van het mys­terie hoopt te ontmoe­ten.

 

Een daarvan is traditioneel: de kerken of geloofsgemeenschappen zelf. Vanouds moest Hij daar – want het was toen nog een Hij – worden gevonden. Daarbuiten kon wel maar dan wist je nooit of je de goede had gevonden. Een keurmerk kon alleen de kerk geven.

De kerk is dat monopolie allang kwijt. Er zijn andere vindplaatsen populair; die waren er vroeger, binnen de kerk ook wel, maar in andere betekenis en reikwijdte: het waren de stilte, de na­tuur, het eigen innerlijk. Zij hebben zelfs een eeuwenlange traditie in het chris­tendom maar ze zijn ook geseculariseerd.

 

De eerste is de stilte. De gedachte is oeroud dat het zwijgen het ware bidden, de echte dienst aan God is. Men vindt die reeds in de laat-Egyptische religie en in de syncretistische myste­riën. Zij keert steeds weer terug in de christelijke en islamitische mystiek. De bijbel ge­tuigt er herhaaldelijk van. Tegenover het spreken van God staat het zwijgend luisteren van de mens, God moet de ruimte krijgen. Toen Jahweh de protesterende Job antwoordde, zei Hij: "Luister en zwijg, ik geef les in wijsheid" (Job 33, 33). En toen Hij gesproken had, ant­woordde Job: "En ik maar spreken zonder iets te weten over wondere dingen die ik niet be­greep, en dan nog in de trant van: luister, ik zal spreken, ik stel vragen, probeer eens te ant­woorden" (Job 42, 3-4). Daarom ook zei de psalmist: "Weet dat zwijgen u past" (Ps. 4, 5) en dat werd door de profeten steeds herhaald: "Voor Zijn aanschijn moet heel de aarde zwij­gen" (Hab. 2, 20); dat is om God te kunnen horen. "Stilte voor de Heer, voor Jahweh" (Zef.1, 7) en "Zwijg voor Jahweh, al wat leeft. Hij staat op en komt uit Zijn heilige woning" (Zach. 2, 17). Woestijnvaders en kloos­terlingen voerden een stugge zwijgpraktijk in.

 

Maar de stilte verdween als thema en als praktijk. De 'moderniteit' staat vrijwel geheel in het te­ken van het onop­hou­delijk bezig-zijn om de natuur, de maatschappij en de mens steeds meer onder menselijk be­heer te brengen. Die grondhouding laat weinig ruimte voor stilte en bezinning. In de filosofie is er geen aandacht voor, op en­ke­le uitzonderingen na. Maar het lijkt weer terug te komen. Er worden stilteplekken gead­verteerd, men begint de stilte weer als heilzaam te ontdekken. Dan kan er van alles gebeu­ren, zoals duidelijk wordt in een auto­biografisch verhaal.

 

"Eén nacht is het mij gebeurd dat het Mysterie over mij kwam op niet in woorden weer te geven wijze als puur macht die buiten mij, over mij en in mij was, op geen enkele wijze appellerend aan welke traditie maar mij wel doordringend van de zeker­heid dat hier dat was wat men God noemt en dat in geen enkel woord valt uit te drukken. Een hallucinatie ten gevolge van de honger? Ik heb mij dat onmiddellijk afgevraagd toen de ervaring van mij week. Ik wist tegelijk dat hier van hallucinatie geen sprake was, wel van bewustwording van een realiteit die men slechts ontmoet in een stilte waar de duisternis alle externe beïn­vloeding heeft afgesneden. Het was een geschenk dat mij door zijn polyinterpretabiliteit door de jaren hen heeft beziggehouden als enig fundamenteel gegeven in de raadsel­ach­tigheid van de menselijke existentie" (Van Baal 1991, 105).

 

Dit klinkt authentiek, al is er geen garantie. Hij interpreteert vanuit zijn christelijke opvoe­ding. Ook is zo’n ervaring zeldzaam. Want heel vaak wordt in de nieuwe trend de stilte in dienst van de productiviteit genomen. Bedrijven zetten zich in voor periodes waarin stilte beoefend wordt, strategisch haast. Men hoopt in de stilte overigens ook zichzelf te vinden en is lang niet altijd op een religieuze ervaring uit.

 

De tweede vindplaats is de natuur. Reeds Augustinus sprak over twee boeken, het Boek van de Bijbel, en het boek van de aarde (de natuur), Het eerste voor degenen die konden lezen, het tweede voor de anderen. Wel was het belangrijk hoe je keek en waarnaar eigenlijk. Hoor Augus­ti­nus zelf daarover in de Belijdenissen, de eerste autobiografie; “Wat heb ik lief als ik God liefheb? Ik heb de aarde ondervraagd en die zei: ik ben het niet, Toen ondervroeg ik de zee en haar diepten en de levende wezens die kruipen. En zij gaven ten antwoord: Wij zijn het niet, gij moet boven ons zoeken. Ik onder­vroeg de waaiende winden en heel de damp­kring en zijn bewoners zeiden; ik ben God niet. Ik ondervroeg de hemel, de zon, de maan en de sterren. Ook wij zijn niet de die u zoekt, zeiden ze. Ik ondervroeg de massa van de we­reld over mijn God en zij gaf mij ten ant­woord: Ik ben het niet maar Hij heeft mij gemaakt. En ik zei tot alle dingen die de poorten van mijn vlees omringen: Spreekt mij over mijn God die gij niet zijt, vertelt mij iets over hem. En luidkeels riepen ze: Hij heeft ons gemaakt”. De natuur verwees naar God, werd niet om haarzelf beschouwd, niet alleen voor de ervaring van haar schoonheid alleen, die was alleen maar teken. Maar die instelling veranderde

 

Een millennium later schreef de Renaissancedichter Petrarca, een boek over zijn be­klim­­ming van de Mont Ventoux, waarin, volgens velen, de eerste zuivere natuur erva­ring beschreven wordt. De schoonheid van de natuur als waarde op zich. Ik stond daar verdoofd, schreef Petrar­ca. En toen sloeg het boek open dat hij altijd bij zich had, de Belijdenissen. En las: “Laat heb ik u lief gekregen, o schoonheid, zo oud en zo nieuw. Laat heb ik u lief ­gekregen, ik rende, wan­staltig als ik was op de scho­ne dingen af die door u ge­maakt zijn; ik werd ver gehouden van u door dingen die niet bestaan zouden hebben als ze niet in u hadden be­staan”. En ook: “En dan gaan ,mensen er op uit om met verba­zing te kijken naar hoge bergtoppen, de machtige golven der zee, de brede stromen van de rivieren…maar voor zichzelf hebben ze geen aandacht”. Pe­trar­ca sloeg het boek dicht en heeft tijdens de terugtocht geen woord meer gezegd en ook nog maar weinig gezien. Hij herkende zijn ervaring als puur esthetisch en voelde dat als een dis­kwalifi­catie. Hij had het kunnen weten. In hetzelfde boek schreef Augustinus: gij waart inner­lijker dan mijn diepste innerlijk. Hij is niet buiten maar binnen in u.

 

Dat innerlijk is de derde vindplaats Dat is vooral door de mystici overgenomen. Teresa van Avila schreef een boek: het kasteel der ziel waarin men steeds dieper moest doordringen om in de binnenste kamer eindelijk God te vinden. Een vertrouwde gedachte in die tijd. Die re­flectie staat tegenwoordig grotendeels in dienst om zichzelf te leren kennen, om het eigen zelf te ontdekken. Daar is niets tegen. Maar het is wel iets anders tegen de achtergrond van de ge­loofstraditie. Los van de vraag dan wat dat zelf is dat men hoopt te ontdekken, God komt er nauwelijks in voor. In bepaalde richtingen spreekt men zelfs van een sacraal zelf.

 

Drie traditionele vindplaatsen, alle drie stevig geseculariseerd, waarin de tendens zichtbaar is geworden van concentratie op stilte, op esthetiek en op zichzelf. Maar aan alle drie ont­breekt iets wezenlijks. U heeft dat waarschijnlijk al aangevoeld. Wat ontbreekt is de ‘ander’. Dat is een vierde vindplaats die geheel overeenstemt met de prediking van Jezus en de pro­fe­ten. Een be­trouwbaarder vindplaats, tastbaar en rechtdoend aan de kern van de zaak.

 

Die werd treffend aangeduid in een uitspraak van een 20e eeuwse Joodse filosoof, Levinas. Men ziet God in het gelaat van de ander, die een appel op mij doet. Dat herkennen we. Wie mij ziet, ziet de vader, zegt Jezus en hem kan men ontmoeten in de an­deren die een appel op mij en op mijn verantwoordelijkheid doen. Zo is dat ook gezegd in de Bijbel. Wanneer heb­ben wij u dan gezien, vragen de veroordeelden aan het eind der tijden. En Hij antwoordde: Ik had honger, ik had dorst, ik was een vreemdeling, ik was naakt, ik was ziek, ik zat in de ge­van­genis en gij hebt mij niet ge­voed, gelaafd, onderdak gegeven, gekleed en bezocht. Die anderen roepen ons weg van onszelf terwijl in die andere vindplaatsen, hoe vruchtbaar soms ook de eigen ervaring toch veelal centraal staat. Die relativeren is moeilijk in onze tijd. Maar onmogelijk is het niet.