Walkartgemeenschap Zeist, Kerkweg 19-23, 3701 Zeist
Mr. drs. Johan de Wit is onze voorganger. Hij is in Leiden en in Kampen opgeleid tot jurist en theoloog. Naar eigen zeggen heeft hij zijn theologische studie ervaren als een heel uitgebreide cursus algemene ontwikkeling.
De verbeelding waartoe de menselijke geest in staat is, blijft hem verwonderen en vanuit die verwondering spoort hij ons aan tot zelfonderzoek.
Alles begint en eindigt bij het kennen van jezelf en wat ons is overgeleverd uit de oude boeken en met name de leringen en uitspraken van Jezus helpen ons daarbij. Door het filter van de man uit Nazareth kunnen wij de wereld anders zien dan wij gewend zijn en dat is, aldus Johan de Wit, het grote geheim van religieus zijn.
De vrijzinnigheid is voor hem de enige geloofsrichting waarin het raadsel van de verhouding tussen God en mens en ons bestaan in deze wereld op een aanvaardbare en voorstelbare manier ter sprake gebracht wordt.
Kern van de overdenking
Onze kleinkinderen en andere gebruikers van de social media leven in een schijnwereld. Wat de gebruikers van deze media achter elkaar te zien en te horen krijgen is geen reflectie op de werkelijkheid om ons heen, maar een spiegel van de eigen gevoelens en meningen over hun leefsituatie. De beelden die ze voorgeschoteld krijgen worden door algoritmen gestuurd met de bedoeling om hun gevoelens te versterken en te bevestigen. In de echte wereld ontmoet je je medemensen, in de digitale schijnwereld ontmoet je daardoor alleen jezelf. Alles om je aandacht vast te houden en te prikkelen om door te klikken.
Overdenking (de digitale schijnwereld)
In Thomas 107 gaat het over een herder die een verloren schaap terugvindt en uitroept dat dat schaap voor hem meer betekent dan de overige negenennegentig schapen. Deze herder brengt het schaap niet terug naar de kudde, maar hij prijst het "Jij bent voor mij meer waard dan die 99 andere schapen van de kudde". In Lukas 15 wordt een soortgelijk verhaal over het verloren schaap verteld, maar daar eindigt het verhaal met de vreugde die er in de hemel is over dat ene schaap dat tot inkeer is gekomen en dat die vreugde groter is dan over de 99 rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben.
Bij Thomas wordt het schaap geprezen omdat het zijn eigen weg ging, bij Lukas is er blijdschap over het schaap dat weer bij de kudde is terechtgekomen. Er is een wereld van verschil tussen de twee versies van dit verhaal over een schaap dat ervandoor gaat. En in die twee versies is het verschil getekend tussen de twee belangrijkste stromingen onder de volgelingen van Jezus in de eerste eeuwen na zijn dood.
De ene stroming is die van het kerkelijk christendom waaruit de rooms-katholieke kerk is voortgekomen met die van de bisschoppen en de paus die hun kudde bewaken. Ook de latere protestantse kerken behoren tot deze stroming, die ik gemakshalve aanduidt als de kerk.
De andere stroming is die van de gnostiek. De gnostiek is een vorm van spiritueel individualisme. De kerk heeft er met niet aflatende ijver en met succes naar gestreefd om de gnostiek uit het christendom te verwijderen. De bezwaren van de kerk tegen de gnostiek kun je samenvatten als volgt:
1. in de gnostiek komt verlossing niet door het offer van Jezus, maar door innerlijke kennis
2. de erfzonde wordt niet erkend door de gnostiek
3. anders dan in het gevestigde christendom is de schepping van deze wereld in de gnostiek niet volmaakt.
Er zijn meer kerkelijke bezwaren tegen de gnostiek, maar die zijn voor het vervolg van mijn betoog niet zo belangrijk. De gnostiek kent ingewikkelde redeneringen over het bestaan van een goede God ergens ver weg en een minder goede God die deze wereld heeft gemaakt, maar deze beschouwingen zijn erg speculatief en spreken ook niet erg tot de verbeelding van de moderne mens, ik laat dat nu dus maar even rusten.
De gnostische verwerping van de erfzonde is het meest wezenlijke verschil tussen de kerk en de gnosis. Augustinus is de kerkvader die het leerstuk van de erfzonde heeft bedacht. Deze kerkvader uit de vierde eeuw na Christus was de overtuiging toegedaan dat kinderen in zonde werden verwekt en dus al vanaf hun geboorte zondig waren. Alleen door de doop waardoor een kind in de genade van Christus werd opgenomen, kon een kind de hemel beërven in plaats van de hel. Tegenstanders van Augustinus hielden er de opvatting op na dat een kind dat kort na zijn geboorte stierf, onmiddellijk terugkeerde naar God en dus niet tot de hel werd veroordeeld.
Als er geen erfzonde is, is ook een verzoening met God niet nodig. En dus ook niet de kruisiging van Jezus als zoenoffer voor het herstel van de band tussen de mens en God. Dat de kerkvaders de gnostiek als ketterij zagen is daarom, gezien hun fixatie op de verlossing van de mens dankzij het lijden en sterven van Christus, wel begrijpelijk.
Het Thomas evangelie begin met de tekst:
Dit zijn de geheime woorden die door Thomas werden opgeschreven. Iedereen die de betekenis van deze woorden ontdekt, zal de dood niet smaken.
Deze woorden hebben een dubbelzinnige betekenis. De woorden "dood"en 'leven" hebben in de gnostiek een specifieke betekenis. Doden zijn de mensen die in de gevangenschap van een conventie van horen zeggen verkeren. Ze kennen zichzelf niet omdat ze zich conformeren aan wat hun omgeving ze als werkelijkheid voorhoudt. Hij die zijn eigen verhaal herkent, schept de vrijheid om het verhaal van horen zeggen te verlaten en de betekenis aan zichzelf toe te kennen die hem geestelijk bevrijdt. Je wordt daardoor de verteller van je eigen verhaal. De conventies waaraan de mens zich onderwerpt, belemmeren zijn eigen geestelijke zelfkennis en maken hem in geestelijk opzicht tot een dode. We hebben het in ons dagelijks leven ook wel over een dooie diender als we vinden dat iemand geestloos door het leven gaat.
Dat conventies als verstikkend en onvruchtbaar kunnen worden beleefd, is door Godfried Bomans op zijn eigen onnavolgbare en lichtvoetige manier vorm gegeven in het verhaaltje over Anita Dobbelmans. Zojuist, zo begint het verhaaltje, is Anita Dobbelmans geboren. Zij is een meikever en leeft in een grote, puperrode roos en roept uit: Wat een heerlijk uitzicht heb ik hier. Heerlijk! Heerlijk! Je moet niet zo schreeuwen kind, zegt mevrouw Dobbelmans. En ook niet zo wiebelen. Een Dobbelmans wiebelt en schreeuwt niet.
Meneer en mevrouw Dobbelmans komen uit een belangrijke familie. Meneer Dobbelmans is secretaris van de meikeversvereniging Door Eendracht Sterk. Als die geen lintje krijgt, zo zei de burgemeester eens, dan mogen de wespen mij halen. En vader Dobbelmans kreeg het lintje. En nog een. En nog een. Tenslotte had hij zoveel ridderorden, dat hij verschrikkelijk rinkelde onder het vliegen. De vader van mevrouw Dobbelmans is lid van de Raad en zij komt dus uit een aanzienlijke familie.
Ik kort het verhaaltje enigszins in, anders wordt het te lang. In ieder geval: op een dag vraagt Anita: met wie ga ik trouwen?
Vader en moeder zeggen: we hebben Jan Rinkelaar voor je uitgezocht.
Maar ik wil niet trouwen met Jan Rinkelaar, roept de kleine Anita. Ik wil trouwen met een aardige mooie jongen met gouden vleugels en zilveren dekbladen. En rode voelhorens moet hij hebben!Anita Dobbelmans moet verstandig zijn, zegt mevrouw Dobbelmans, en geen mallepraat verkopen.
Anita Dobbelmans heeft een stand op te houden en dat gespring in de zon dient nergens toe. Denk je dat je vader secretaris is geworden door in de zon te springen? En wat Jan Rinkelaar betreft, die papa voor je heeft uitgezocht, die bezit wel wat degelijkers dan rode voelhorens.
Uiteindelijk moet Anita zwichten voor de beslissing die haar ouders genomen hebben. Zij trouwt met Jan Rinkelaar, commies bij het gouvernement. Zij huren een leegstaande paardenbloem met centrale verwarming en uitzicht op de dreef. En zo juist heeft Anita Rinkelaar een kindje gekregen, dat wil wiebelen en schreeuwen. Maar jawel, een Rinkelaar wiebelt niet en schreeuwt niet. En hier begint de geschiedenis weer van voren af aan.
Het verhaaltje over de lotgevallen van Anita Dobbelmans roept bij mij herinneringen op aan opvoeding die een groot deel van de jeugd in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw onderging. Het gezag van de ouders was nog prominent aanwezig en het gaan en staan van de jongeren was onderworpen aan voorschriften waaraan je je te houden had.
Onze generatie, die ook wel als de boomergeneratie wordt aangeduid, hebben hun kinderen veelal opgevoed met principes die het tegengestelde van onze eigen opvoeding waren.
In plaats van doe wat verstandig is, zeiden we doe wat je gelukkig maakt. We zeiden niet wees gehoorzaam, maar wees jezelf. Niet speel op safe, maar volg je hart.
De vraag die daarbij opkomt is hoe die vrijheid/ blijheid denkrichting voor onze kinderen heeft uitgepakt. Want er is in de afgelopen decennia veel veranderd en die veranderingen zijn grotendeels to stand gebracht door technologische ontwikkelingen. Zelf ben ik opgegroeid met eerst de vaste telefoon, daarna de televisie (wij kregen pas in 1968 kleurentelevisie), de telex en de fax en nog weer later de computer, de e-mails en vervolgens de smartphones waar miljarden mensen zich nu van bedienen. Het is hard gegaan en een beetje kort door de bocht kun je zeggen dat onze analoge, fysieke wereld is veranderd in een digitale, onbegrensde ruimte waarin de hele wereld met een druk op de knop binnen ieders bereik ligt. Inmiddels worden televisie en mailverkeer door veel jongeren al als passé gezien, als ouderwetse communicatiemiddelen.
De technologie van het huidige tijdperk heeft zeker zijn positieve kanten. Het heeft de handel wereldwijd een stuk gemakkelijker gemaakt en het is een goed hulpmiddel om data te verzamelen en op te slaan. Maar er zijn ook kanten aan deze ontwikkeling die tot nadenken stemmen. In haar essay ik zie wat ik geloof besteedt Roxane van Iperen aandacht aan die ontwikkelingen, met name die op het gebied van de social media als Facebook, Instagram, WhatsApp, Messenger, Snapchat, Tiktok en Threads, met miljarden actieve gebruikers.
Er is een tijd geweest waarin ouders en grootouders zich konden verplaatsen in de belevingswereld van hun kinderen en kleinkinderen. De ervaringen uit onze jeugd spoorden in grote mate met die van de opgroeiende jeugd waar we mee te maken hadden en we konden daarover vertellen en adviseren. Onze ouders en wij als ouders misschien ook wel, brachten ons en onze kinderen ook conventies en regels bij waar we niet zo blij mee waren zoals in het verhaaltje van Bomans, maar er zat wel een zekere wetmatigheid in dat doorgeven van kennis en ervaring van de ene generatie aan de volgende.
Die wetmatigheid is er niet meer. Met name onze kleinkinderen groeien nu voor een groot deel op in een virtueel universum waarin ze vanaf jonge leeftijd in hun dooie eentje ronddwalen.
Uren per dag zwerven ze zonder toezicht rond in een wereld waarin ze worden blootgesteld aan zaken die geen boek of film kan invullen. Wat ze in die virtuele wereld beleven wordt door middel van algoritmen steeds aangepast op basis van eerdere keuzes die ze hebben gemaakt. Soms gaat het erom om de aandacht zo lang mogelijk vast te houden, soms om advertenties en verkoop, soms ook om politieke inhoud.
Wat de invloed is van die virtuele wereld op onze kleinkinderen ontgaat ons grotendeels. Maar onze kleinkinderen en andere gebruikers van de social media leven in een schijnwereld. Wat de gebruikers van deze media achter elkaar te zien en te horen krijgen is geen reflectie op de werkelijkheid om ons heen, maar een spiegel van de eigen gevoelens en meningen over hun leefsituatie. De beelden die ze voorgeschoteld krijgen worden door algoritmen gestuurd met de bedoeling om hun gevoelens te versterken en te bevestigen. In de echte wereld ontmoet je je medemensen, in de digitale schijnwereld ontmoet je alleen jezelf. Alles om de aandacht vast te houden en te prikkelen om door te klikken. Uiteindelijk worden we dan naar advertenties geleid om ons tot kopen aan te sporen. Kopen, kopen, kopen, het is de religie van de techmiljardairs achter de chatrobots en algoritmen en ze hebben er succes mee, want ze hebben miljarden volgelingen.
Ik legde uit waarom het virtuele universum een schijnwereld is die ons van gebruikers tot databronnen heeft gemaakt. De technologie die er achter zit, krijg je niet weg door verboden of door politiek geȉnspireerde regels, die ontwikkeling gaat hoe dan ook door. Het hervinden van de juiste balans tussen schermverslaving en kennisverrijking moet komen van de geesteswetenschappen. Kunst, cultuur, geschiedenis en filosofie zijn onderdeel van die wetenschappen. We moeten hopen dat dit doordringt tot degenen die verantwoordelijk zijn voor ons onderwijs. In ieder geval is het de moeite waard om daarop te blijven tamboereren, ik zie geen andere weg.